NIEUWE KERK

Bij de toren stond een fraaie laatgotische kerk. Misschien al in de tweede helft van de 10de eeuw was hier een bescheiden bedehuis. In het midden van de 12de eeuw  werd een nieuwe kerk gebouwd in de vorm van een tufstenen basiliek. De kerk was toegewijd aan Sint Livinus. Volgens de overlevering zou Livinus afkomstig zijn uit Schotland en in 657 de marteldood zijn gestorven. Deze heilige werd sterk gepropageerd door de Sint Baafsabdij uit Gent, onder meer in Zierikzee. In 1463 kreeg de kerk een stuk van de arm van Livinus, die volgens de biografen ook op Schouwen zou hebben gepredikt. In werkelijkheid heeft deze martelaar echter nooit bestaan. Niettemin kregen dankzij deze vermeende heilige vele kinderen in Zierikzee en op
Schouwen-Duiveland de voornaam Lieven. Het is dus niet bekend wanneer de Sint Lievensmonsterkerk is gebouwd. Zeker is dat hij in 1378 werd verheven tot kapittelkerk. Daarop duidt de toevoeging van “monster”, afgeleid van de Latijnse aanduiding monasterium. Dat betekende dat er een college van kanunniken aan werd verbonden, waardoor de eredienst luisterrijker werd dan tevoren. Deze oude kerk, die 3,5 maal zo groot was dan de tegenwoordig werd in 1466 door brand beschadigd. Het was een drieschepige hallenkerk met twee rijen pilaren, een vloeroppervlak van 4100 vierkante meter, een totale lengte van 102 meter en een breedte  van 37 meter. De lengte van de uit 1672 dateredende preekstoel bedroeg 60 meter. De voet werd gevormd door zes gebeeldhouwde mannanfiguren. Met deze afmetingen was het de grootste kerk van Zeeland. Zowel aan de noord- als aan de zuidzijde waren kapellen voor de gilden. Het oude orgel dateerde van 1549 en werd in 1770 vervangen door een nieuw exemplaar, dat F51.257,42 kostte en tegen de westelijke muur werd geplaatst. Dit orgel had 56 sprekende registers, mer 3108 pijpen. Behalve dat het gebruikt werd tijdens de godsdienstoefeningen, werd er iedere woensdagmidddag een concert gegeven. In de kerk lagen vele grafstenen, stonden een aantal fraaie monumenten en uiteindelijk hingen er 452 rouwborden met familiewapens van het patriciaat. Dit leverde jaarlijks een  groot bedrag aan huur op, wat men na 1798 moest missen, toen de borden op last van de oveheid uit de kerk moesten worden verwijderd. Omdat er in de kerk gebrekkige kaarsverlichting was, gebeurde het wel dat, als een kerkdienst duurde tot de schemering intrad, men hinder kreeg van ontwakende en rondfladderende vleermuizen.

Op 6 oktober 1832 hadden loodgieters roekeloos gesoldeerd aan de dakgoten, en nauwelijks was de 7e oktober begonnen of er werd brand ontdekt. Er ontstond een geweldige vlammenzee, die hoog boven de muren uitkwam. De brandweer had vele uren nodig voor het bluswerk en kon pas ´s morgens om 8 uur verklaren, dat ze de brand tot de kerk had kunnen beperken. Deze brandde geheel uit. Met het nablussen waren nog 2 dagen gemoeid. Hoewel de muren nog overeind stonden en er nog heel wat gespaard bleef aan monumenten, besloot men om af te zien van herbouw. Dit ook ondanks het feit dat aan een direct gehouden geldinzameling het bedrag van F42.000,- bereikte. In november 1832 liet men de muren met dynamiet springen, de gedenktekens werden tot puin gehakt en de grafstenen aan kleine stukken gezaagd. De laatste kan met terugvinden als stoeppalen, of als zeewering bij Borrendamme. Het batig saldo van de afbraak bedroeg F31.000,-. Na het afbranden van de oude kerk werd de bouw van de nieuwe kerk een lange lijdensgeschiedenis.

Uit de ingezonden plannen voor nieuwbouw werd het ontwerp gekozen van de architect P. Huijsers Az. (1781-1848) uit Breda. Zijn plan betrof een koepelkerk in de toen gangbare neo-classitische stijl. Onder meer omdat het Rijk minder subsidie verleende dan gevraagd was, moesten de plannen vereenvoudigd worden. Huijsers ontwierp vervolgens een kruiskerk. Aanvankelijk lukte het niet om een aannemer te krijgen, die het wilde bouwen voor de begrote som. Architect Huijsers voelde zich aangetast in zijn beroepseer en bood aan de kerk te bouwen voor F 109.000,-. Hij kreeg de opdracht. Op 9 september 1835, bijna 3 jaar na de brand kon eindelijk de eerste steen worden gelegd. In juli van dat jaar was de bouw begonnen. Door verschillende omstandigheden, waaronder vooral het feit dat van de berekeningen weinig klopte, moest Huisers eind 1836 wegens financiële problemen het werk staken. Hij werd failliet verklaard. Een juridisch steekspel van maar liefst 8 jaar volgde. Uiteindelijk werd in 1844 een schikking bereikt.
De stadsarchitect van Middelburg, G.H. Grauss (1807-1882), vereenvoudigde het ontwerp van Huijsers. Hij hield echter vast aan de vorm van de kruiskerk. Door het ingrijpen van A. Caland, hoofdingenieur van de Waterstaat in Zeeland, werden de plannen opnieuw gewijzigd. Hij liet de kruiskerk in een zaalkerk veranderen. Dankzij hem werd een zuilenportiek in het plan opgenomen, zoals Huisers had gewild. Calands opzichter J. Bourdrez, werkte de wijzigingen uit. Aannemer P. van der Linden uit Zierikzee wrd het voltooien van de kerk gegund voor F53.000,-. Vanaf eind 1845 werd er weer gebouwd.
De firma Kam & Van der Meulen uit Rotterdam leverde het orgel. Pas op 21 mei 1848 kon de plechtige inwijding plaatsvinden. Het oppervlak van het gebouw besloeg slechts een derde van de voormalige kerk. Als vergelijking zijn in de bestrating rondom de kerk de contouren zichtbaar gemaakt van de oude kathedraal. De nieuwe kerk, die meer op een Griekse tempel lijkt dan op een Protestants bedehuis, kostte uiteindelijk in totaal F156.659,945. Deze kerk heeft nooit olieverlichting gehad. De elektrische verlichting werd op 24 december 1930 voor het eerst gebruikt.

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog werd de kerk zwaar beschadigd. De geallieerden schoten vanaf het bevrijde Noord-Beveland op het toen grotendeels verlaten Zierikzee, dat nog bezet werd door de Duitse troepen. Herstel volgde, maar algehele restauratie was nodig. Voor de Hervormde gemeente was het gebouw overbodig geworden. In 1971 werd de kerk gesloten. De Nieuwe kerk ging zienderogen achteruit nadat de ramen waren ingegooid en wind en regen vrijspel kregen. In 1977 werd de kerk overgedragen aan de Stichting Oude Zeeuwse Kerken, die het gebouw in de jaren 1978-1988 in fasen liet restaureren. In 1996 kwam de restauratie van het orgel gereed. Als fraai voorbeeld van de 19de eeuwse kerkelijke architectuur vormt de Nieuwe kerk een bijzonder object in een monumentenstad zoals Zierikzee.  (foto’s: Zierikzee-Monumentenstad)

 

Voor meer informatie over de Nieuwe Kerk:  www.nieuwekerkzierikzee.nl