ZORG VOOR ZWAKKEREN

 

De zorg voor armen en behoeftigen was een zaak voor de kerken, maar ook voor het stadsbestuur. In het Gasthuis, dat achter de Gasthuiskerk aan de Hoge Molenstraat was gelegen, werden zieken en gewonde militairen of vreemdelingen verpleegd. Maar belangrijker was de verzorging van arme en gebrekkige oude lieden. Door de handelscontacten was er een latent gevaar dat de pest ook Zierikzee bereikte. Nog onbekend met het feit dat de ziekte via ratten werd overgebracht, kon met weinig uitrichten wanneer deze eenmaal heerste. Pestslachtoffers werden verpleegd in het Sint Rochushuis, dat aan de Hoge Molenstraat stond, tegenover het gasthuis. In 1655, toen “gesel Gods” opnieuw dreigde, werd even buiten de Noordhavenpoort aan de Grachtweg het Leprozenhuis verbouwd om de pestlijders te kunnen verplegen. Het Weeshuis ontstond waarschijnlijk in 1613 uit het Heilige Geesthuis en was gelegen op de hoek van het Kerkhof en de Poststraat. De wezen die hierin werden opgenomen, kregen onderwijs. De jongens gingen veelal in de leer om een ambacht te  leren en de meisjes hielden zich bezig met naaien. In de tweede helft van de 18e eeuw schommelde het aantal wezen dat in dit Burgerweeshuis woonde rond

de 50. In 1673 werd het Sint Rochushuis geschikt gemaakt als Armkinderhuis. Ook dit diende als weeshuis maar de verzorging was minder dan in het Burgerweeshuis. Het Oude mannen- en Vrouwenhuis stond aan de oostzijde van de Manhuisstraat en opende in 1585 haar deuren. Om hierin opgenomen te worden moest men zich inkopen. Tegen betaling van een fors bedrag, dat afhankelijk was van de leeftijd, kregen mannen en vanaf 1663 ook vrouwen in dit huis een onderkomen. Voorts telde de stad nog een aantal hofjes, bestemd voor de huisvesting van arme gildebroeders en hun vrouwen of weduwen. Het Sint Pieters- of Vissersgilde had haar hofje, dat het Vissershuis werd genoemd, aan de zuidzijde van de Pieterseliestraat, ten oosten van de Lutherse kerk. Het Sint Jacobshofje lag op de hoek van de Sint Domusstraat en de Sint Jacobstraat. In het Jacobsgilde waren de koopvaarders verenigd. Het Sint Jacobshis werd in de 17e eeuw bestemd tot arsenaal voor de berging van het geschut, maar de bijbehorende huisjes bleven bewoond door oude vrouwen of weduwen. Aan de Manhuisstraat, ten noorden van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis lag het Sint Anthonieshofje, dat gebruikt werd ten behoeve van het Tappers- en Korenkopersgilde. Aan de noordzijde van de Minderbroederstraat stonden de Sint Lucaskamertjes. In het gelijknamige gilde waren de schilders, beeldhouwers, glazenmakers en boekbinders verenigd. In het noorden van de stad stonden de Godskamertjes (op de afbeelding rechts een oude gevelsteen van de Godskamertjes), die werden bewoond door behoeftige broeders van het Schippersgilde en het kleermakersgilde of hun weduwen. Aan het Vrije vond men de Sint Chrispijnkamertjes van het Schoenmakersgilde aan de Pieterseliestraat en de Sint Vituskamertjes van het Droogscheerdersgilde. Tenslotte vonden aan de Breedstraat de Sint Lievenskamertjes. Van deze huisjes zijn alleen het Sint Anthonieshofje en het Sint Jacobshofje bewaard gebleven. Zowel het Burgerweeshuis, het Armenkinderhuis als het Gasthuis hebben vrijwel steeds te kampen gehad met financieeleproblemen. De eigen bezittingen leverden te weinig op en de ontvangsten waren veelal te gering. Herhaaldelijk moest het stadsbestuur bijspringen door het toekennen van extra inkomsten. Tot ingrijpende maatregelen kwam het in 1795 toen te Burgerweeshuis en het Armkinderhuis werden samengevoegd. Het Gasthuis werd in 1811 opgeheven en drie jaar later voor sloop verkocht. In 1819 werd het Oude Mannen- en Vrouwenhuis ontruimd en later afgebroken. Het Leprozenhuis was al eerder, in 1800, voor afbraak verkocht.

 

bron: Zierikzee Monumentenstad aan de Schelde, tekst H. Uil