DINGEN (Kronkels)

Wie in Zierikzee van de boot stapt, ziet meteen wat de oerkracht van woedend water doet met de dingen. Liefelijke straatjes zijn in die ene amoknacht tot aan de ingewanden opengereten en de voorgevel van een hotel werd als een masker afgerukt. Je ziet het nu in doorsnee -een langzaam maar zeker kapseizend bouwskelet, waaraan een paar bizar-menselijke voorwerpen zich met onwezenlijke trouw blijven vastklemmen. De biljartlamp hangt nog ordelijk boven de gapende wond die, dwars door de vloer, in de aarde gebeten werd, de piano wil maar niet uit de ruïne glijden en de vaste wastafel kan, op de eerste etage, haar sanitair onmogelijk prijsgeven in een kamer, waarvan alleen de achterwand nog stenen ruggegraad bezit. De zijmuurtjes stortten allang in de diepte, hun taak overlatend aan gele lappen behang en grillige slierten betengelingsgaas, die iets droom-onwezenlijks geven aan het verminkte huis. Op de zolder zie je die illusie dan voltooid, want tussen stapels opgeslagen rommel hangt, aan een intact gebleven waslijn, een wit gewaad, dat door de wind bewogen, de rampnacht schijnt te gedenken in een eindeloze, spookachtige klaagdans.

“En, hoe is het hier nu?” vraag ik mijn vriend, als ik hem voor dit hotel de hand schud.

Zo’n antwoord is altijd naar het u lijkt. Je kunt het horen in de mededeling, dat er vanmorgen nog een huis kwam aandrijven met een lijk erin. Of in het gelach van de weer vrolijk spelende kinderen op de markt. Of in de stem van de ingenieur, die met zijn pijp naar het binnen kolkende water wijst en rustig zegt: “Dat is een lastig gaatje.” Of in de mokkende klacht van de caféhouder, die ontevreden roept: ” Schande dat ze geen vreemdelingen laten komen, n o u is er wat te zien!” Of in het liedje dat ze in de Zierikzeese schouwburg (“Nou allemaal!”) hebben meegezongen: “Toch wor aelles ier wi goed, ons mooie Schouwen kom wi uut die waotervloed, noe gin geschreeuw, niks voar’n Zeeuw, ons sjouw en werk ‘ier as ’n leeuw.”

“Och, ’t is een vreemd leven, zo alleen”, zegt mijn vriend. In zijn huis is het dagelijks eb en vloed, zijn gezin zit in Middelburg, hijzelf bivakkeert in zijn kantoor. Hij kwam er goed van af, als hij zijn lot vergelijkt met dat van anderen – maar tòch… Ook de dingen spelen een rol in een mensenleven en als je nu eenmaal behoort tot het type, dat dertig jaar lang liefdevol heeft gebouwd aan een bibliotheek vol literaire curiosa, die je vast nooit van het Rampenfonds zult terugkrijgen, moet je de pink wel even op de naad van de broek leggen als je ferm zegt: “O, ik persoonlijk mag waarachtig niet klagen.”

Toen het begon, waarschuwden ze hem dat er best eens zestig centimeter water in zijn huis zou kunnen komen. Hij maakte de onderste twee planken van zijn boekenkast leeg en bracht alles wat er op stond nara de zolder, voor de zekerheid. Het water kwam en hij vluchtte met zijn gezin. Twee dagen later voer hij in een rubberbootje zijn kamer binnen tot voor zijn bibliotheek en redde zijn complete Couperus-een ceremonie, die de schrijver, op de Olympos, getoucheerd moet hebben gadegeslagen.

“Zo haal ik elke dag wat”, dacht hij, terugroeiend. Maar toen hij de volgende morgen kwam aanvaren, dreven zijn boeken hem voor het huis tegemoet, want de stroom had de kast omvergeworpen. Nu kun je met dingen die in zee gelegen hebben, niets meet aanvangen. Het zoute water vernielt ze tot in het merg. Hij heeft nog wat opgevist, zo hier en daar, en gedacht: “O ja, dat was dat almanakje uit 1926 met die leuke portretten…” De zee had het herleid tot een druipende hoeveelheid pap, die je met een plonsje terug kon gooien in de nu zo rimpelloze vijver. Teneergeslagen roeide hij terug.

“Geheimzinnig, wat dat in- en uitstromende water in zo’n huis doet”, vertelt hij. “Mijn bureaustoel bijvoorbeeld, was de eerste dag spoorloos, maar drie dagen later had de zee hem weer terugbezorgd. Een grote kast – weg. Een mand die er in stond – ook weg. Maar een vingerhoedje, dat in de mand lag, vond ik op een rand van de lambrisering. Het is net of een gek in je huis bezig is, die telkens terugkeert en de boel dooreensmijt, op zoek naar iets dat niet bestaat…”

Een ding. Een der duizend verdronken dingen van Zeeland. Die onbelangrijk zijn. Waarover we niet mogen klagen. Maar die toch óók worden herdacht in de eindeloze klaagdans van een vergeten, wit gewaad op de zolder van ene hotel zonder gezicht. (foto’s hotel Smalheer: Rykel ten Kate)

 

 

 

schrijver Simon Carmiggelt,             

uit het Parool, Kronkels