VARREPUT

Aan noordzijde van de Sint Lievensmonstertoren stond een lakenhal, waarin 20 stallen, in 1340 uitgebreid tot 40, wellicht door halvering van de oude. In die hal moesten de lakenarbeiders hun producten uitstallen om de kwaliteit ervan te laten keuren. Het Zierikzeese laken genoot een zekere reputatie door haar kleurvastheid die waarschijnlijk te danken was aan de gebruikte meekrap.

 

De meekrapcultuur schijnt al in 1270 in gebruik te zijn geweest. De meekrap is een 3-jarig gewas. In zogenaamde Meestoven werden de planten gedroogd en werden de wortels vermalen tot een rode kleurstof. Deze bedrijfstak stond als zeer riskant  bekend in verband met de hevige prijsschommelingen. In 1457 kwam er een voorschrift op de productie en verwerking van mee, maar allang daarvoor moeten er al bepalingen hebben bestaan. Sinds 1531 moest alle Schouwse mee in Zierikzee worden gekeurd. Dankzij de strenge controle kreeg zij de naam de beste Meekrap van de Nederlanden te zijn, speciaal die uit Poortambacht. De beschermheilige van het gilde der meereders was Sint Lieven, de schutspatroon van de stad.

 

 

Het textielbedrijf speelde zich af in de omgeving van de Balie. Behalve de lakenhal bevond zich daar de vul- of volwelle (tegenwoordig Varreput), waarin de vollers uit de “Volrestrate” (tegenwoordig Weststraat) de stoffen soepel maakten. Voordien zal het wel een “vate” zijn geweest, waarin de paarden van de graaf gedrenkt werden. De nabij gelegen Raamstraat heet zo naar de ramen waarop de weefsels werden uitgespannen en ook de straat, de Wevershoek, past in dit kader.

De lakennijverheid werd behalve door het privilege van 1305  beschermd door een invoerverbod van vreemde lakens. Er werd een uitzondering gemaakt voor doorvoer naar Noorwegen, Pruisen en elders, mits de stof in Zierikzee geverfd, geschoren of gerekt mocht worden. 

Later kreeg de Varreput de functie van brandput, waterreservoir en drenkplaats voor paarden en vee.

 

(foto: Zierikzee-Monumentenstad.nl)