BOEK

St. Nicolaas te Zierikzee

Verslag van het bezoek van Sint Nicolaas met zijn Pieten aan Zierikzee op 5 December 1924.

 

Samenvatting:

Oktober 1924. Het is onrustig in het klaslokaal op school A te Zierikzee. Jan’s vader heeft gehoord, dat Sinterklaas dit jaar naar Zierikzee zal komen, doch Gijs gelooft hem niet. Pas als de volgende dag de brief aan de burgemeester van Sinterklaas, waarin hij zijn bezoek aankondigt, in de krant wordt gepubliceerd, moet Gijs het wel geloven. Intussen is Sinterklaas in zijn paleis in Spanje, waar hij wordt omringd door zijn trouwe Moorenknapen. Hij voelt zich moe en ziet op tegen de lange reis naar Nederland. Maar dan landt er een vliegmachine, die hem naar Nederland zal brengen. Sinterklaas is blij, nu zal de reis een stuk korter duren. Op 4 december is het druk in de straten van Zierikzee. De vrienden Jan en Gerrit lopen samen door de volle straten, in afwachting van de komst van Sinterklaas. Gijs bespot hen, hij gelooft nog altijd niet dat Sinterklaas echt zal komen. Gelukkig heeft Gijs ongelijk want Sinterklaas arriveert per stoomboot. Hij is vanaf Middelburg, waar het vliegtuig landde, per auto naar het veer gereden en vandaar uit heeft hij de stoomboot naar Zierikzee genomen. Hij wordt verwelkomd door de burgemeester en een heleboel kinderen. Moorenbedienden laden kisten vol speelgoed uit en de paardenknecht brengt het paard. Dan volgt er een glorierijke intocht. Bij het stadhuis gekomen houdt de gemeentesecretaris een mooie toespraak. Hij vertelt over de historie van Zierikzee en de Sint-Lievenstoren, die nooit afgebouwd is door grote rampen die Zierikzee getroffen hebben, zoals brand, oorlog, oproer en wate

rsnood. Daarna wordt de tocht vervolgd naar het huis van de burgemeester, alwaar Sinterklaas zal logeren.  In het Concertgebouw zal een bioscoopvoorstelling worden gegeven. De schoolkinderen gaan er in optocht naartoe. Sinterklaas zal ook komen en ja, als er een electrische schel ratelt, stappen Sinterklaas en zijn Moorenknapen binnen. Er wordt suikergoed en marsepein uitgedeeld. Plotseling wordt Gijs door de Mooren gegrepen en in de zak gestopt. Sinterklaas moet tussenbeide komen en pas als hij beterschap beloofd heeft, mag hij weer vrij. Zingend gaan de kinderen naar huis terug. Sinterklaas is moe, hij gaat een boek lezen over de geschiedenis van Zierikzee. Hoe de Spanjaarden de stad belegerd hadden en ingenomen.De volgende dag komt Sinterklaas op school, waar hij door de leerlingen wordt toegezongen. Ook brengt hij een bezoek aan de bewaarschool, waar hij speelgoed uitdeelt. ’s Middags is er nog een feestelijke optocht door de straten van de stad.
De volgende dag vertrekt Sinterklaas weer per stoomtram, die hem naar de stoomboot zal brengen. Op het station nemen de kinderen afscheid van hem en zwaaien hem uit. Vanuit Spanje stuurt Sinterklaas nog een brief aan de bevolking van Zierikzee om hun te bedanken voor de fijne ontvangst.

 

Jongens, ‘k hoorde een vreemd geraas,
Gist’ren avond buiten.
‘k Zag zoowaar Sint-Nicolaas
Door de ontdooide ruiten.
Wit als sneeuw haast was zijn paard,
Wit zijn mantel, wit zijn baard.
Fluks al had ik mij ontkleed
En te bed begeven.
Juist bijtijds was ik gereed,
Schoon mij de angst deed beven.
Juist bijtijds, want tik-tik-tik,
Klonk het tot mijn grooten schrik.
En wie stapt in ’t kamerkijn?
Sint, ja niemand anders.
“Hier, – zoo zei hij – moet ik zijn,
‘k Houd van brave kind’ren.”
Daarop nam hij uit een zak
Suikergoed en zoet gebak.
Op de tafel lei hij ’t neer,
Nog zie ik het blinken.
Toen vertrok hij haastig weer,
‘k Hoor zijn stap nog klinken.
Och, dat Sint mij dezen nacht
Weder zooveel lekkers bracht!
 
Fragment uit het boek:
Hoe prachtig en kostbaar is de gansche kleeding van Sint-Nicolaas. Jan, die met zijn vriend Gerrit vlak vooraan staat, kan er niet genoeg naar kijken. En toch is er iets anders, waardoor de jongen zich nog meer voelt aangetrokken. Dat is het gelaat van den bisschop, zoo edel van trekken, met oogen, waaruit goedheid en vriendelijkheid hem tegenblikken. “Ik hou van ‘m, Gerrit!” zegt Jan, heel zacht, als schaamde hij zich een weinig. Maar Gerrit begrijpt zijn vriend. “Ik ook,” zegt hij. “’t Is ’n goeie man, dat kun je best zien.” Opeens schrikken ze; want met luid geraas komen de vier Moorenbedienden van Sint Nicolaas naar voren. Zij zijn druk bezig geweest de uit Spanje meegekomen kisten – wat zou daar wel in zitten? – op een gereedstaanden wagen te laden. Nu springen ze naar voren, lachen en roepen in een voor Zierikzeesche jongens onverstaanbare taal en toonen dan dreigend de attributen, die zij bij zich dragen. Wat dit zijn? Eén heeft een karwats in de hand; dat is de paardenknecht, die straks het paard van Sint-Nicolaas, wanneer de bisschop is opgestegen, bij den teugel zal leiden. De tweede rammelt met een ijzeren ketting, dien hij over de straatsteenen laat slepen. De derde draagt een zak op den rug, waarvan de bestemming duidelijk genoeg is; evenals van de roede, van twijgen saamgebonden, die hij dreigend aan de jongens laat zien. De jeugd schaterlacht om de “zwarte pieten,” zooals zij de knechts van Sinterklaas noemen. Maar Jan kijkt weer het meest naar de fraaie kleering der Moorenknapen met hun gekleurde broeken, in rood, paars, geel en groen; hun sierlijke buisjes in weer andere kleuren; hun fijne kousen en mooie lage schoenen, hun fluweelen mutsen met witte veeren getooid. Wat zijn ze mooi! ‘k Zou ook wel ’n knecht van Sinterklaas willen zijn,” zegt hij tegen Gerrit. Maar deze geeft geen antwoord. Want nu wordt het paard van Sint-Nicolaas voorgebracht en maakt deze zich gereed op te stijgen. Wat een prachtig paard is dat! Een appelschimmel is ‘t, dit zegt een koetsier, die vlak achter Gerrit staat en verstand van paarden heeft. Maar wat heeft het beest lange witte manen! En wat is het mooi opgetuigd! Het hoofdstel is met roode en witte kwasten versierd. Om den hals draagt het paard een breeden fluweelen band met kwasten en rosetten. Het zadeldek, waarop Sint-Nicolaas nu plaats neemt, is van rood fluweel, met goud afgezet. ‘k Zou best paardenknecht of koetsier bij Sinterklaas willen zijn,” zegt Gerrit nu op zijn beurt. En dan vangt de glorierijke intocht aan.
Gegevens:
geschreven door J. Stamperius
aangeboden door H. J. Doeleman, Zierikzee
uitgave Firma A. C. de Mooij – Zierikzee, ca. 1925
geïllustreerd met vele authentieke foto’s
(tekst en foto’s: www.oudejeugdboeken.nl)