HET STADSBESTUUR

Vanuit het stadhuis aan de Meelstraat werd de stad bestuurd. Rechts het interieur van de raadzaal. In de 17de eeuw oefenden vele leden van het stadsbestuur nog een beroep uit, maar geleidelijk aan ontwikkelde zich  een regentenpatriciaat, dat de economische activiteiten aan anderen overliet. Tussen 1618 en 1650 gaf 70% van de Zierikzeese patriciërs zijn oorspronkelijke beroep op. Zij maakten van hun bestuurlijke affaires hun hoofdtaak. Niet alleen het bestuur van de stad en van de verschillende colleges vroeg veel tijd, dat gold ook voor het vertegenwoordigen van de stad elders, zoals met name bij vergaderingen van de Staten van Zeeland in Middelburg. Toch verloren de regenten hun persoonlijke economische belangen niet uit het oog. Vooral beleggingen hadden hun voorkeur, aanvankelijk in onroerend goed en in de vorm van aandelen bij inpolderingen, later ook in effecten. Vele regenten hadden het liefst hun bezittingen dichtbij huis. Een groot deel van Schouwen-Duiveland behoorde dan ook toe aan Zierikzeese regentenfamilies. Een aantal ervan verlengde graag haar naam met één van de heerlijkheden. Om het stadsleven tijdelijk te ontvluchten, meubileerden zij vertrekken in hun boerderijen om daar in de zomer te kunnen verblijven. Nieuwe generaties vonden dat te eenvoudig en lieten fraaie buitenhuizen bouwen, vooral in het nabijgelegen Schuddebeurs, dat door bebossing extra aantrekkelijk werd gemaakt. Rijkdom, afkomst en status waren voorwaarden om opgenomen te worden in de beperkte kring van het stedelijk pratriciaat. Velen hadden rechten gestudeerd; illustratief daarvoor was een rijmpje met de frase: “Drie Zierikzeeënaars, twee advocaten”.  De regenten gingen een aparte stand vormen, die zich onder meer kenmerkte door hun woonhuizen. Vooral in de 18e eeuw werden veel huizen vergroot door twee of drie panden samen te voegen. Fraaie gevels moesten deze behuizingen allure bezorgen. Om onderlinge ruzies tegen te gaan werden “contracten van correspondentie” gesloten. In deze overeenkomsten legnden de zittende leden nauwkeurig de verdeling van de ambten vast, waarmee grote macht en financiële belangen waren gemoeid. Het is veelzeggend dat het oudst bekende schriftelijk contract in Nederland in Zierikzee werd gesloten (1652). Herhaaldelijk werden nieuwe overeenkomsten aangegaan. Niet voorkomen kon worden dat de regenten toch vaak scherp tegenover elkaar stonden. Angstvallig werd vastgehouden aan de middeleeuwse privileges. Die bepaalden onder meer de verboden graden van verwantschap. Vader en zoon, evenals broers, mochten niet tegelijk zitting hebben in de raad. Niettemin was men al spoedig uiterst creatief om zoveel mogelijk familie in de vroedschap op te nemen. Toen de reeds genoemde Adrianus Hofferus in 1616 zijn broer Pieter opvolgde als raadslid zaten daarin zijn schoonvader Jan Anthonisse de Jonge en zijn zwagers Cornelis Bartelse Rollandt, Cornelis Marinusse Mogge, Jan Claesz. de Huybert en Pieter Pous. Voorts zijn neefs Johan Teellinck, Adriaan Anthonisz. de Huybert, mr. Christiaan de Vager en mr. Eewoud de Huybert. Kortom: bijna de helft was rechtstreeks familie. Bovendien gold als voorwaarde dat men twintig jaar lang poorter moest zijn. Om die reden werden in de 17de, maar vooral in de 18de eeuw herhaaldelijk kinderen in het poortersboek (afbeelding links) ingeschreven.
Het oudste deel van het poortersboek begint in 1302 en is daarmee het oudste poortesboek van Nederland. Zelfs zuigelingen van twee of drie dagen werden genoteerd! Invloed van bovenaf was er in beperkte mate. Weliswaar koos de stadhouder de schepenen, maar op voordracht van de raad. Ieder jaar werd een lijst van 12 personen opgesteld waaruit het ene jaar 6 en het andere jaar 7 personen tot schepen werden (her)benoemd. Ook de raden werden door de stadhouder gekozen, maar uit een door de vroedschap zelf opgesteld drietal. Tijdens de stadhoudersloze tijdperken werden de schepenen gekozen of herbenoemd door burgemeesters, schepenen en raden. Deze aangevuld met de thesauriers, kozen ook de nieuwe raadsleden. Een laatste restje van invloed van de bevolking op het stedelijk bestuur bestond in het zogenaamde Brede Raad. Voor gewichtige zaken kon de raad worden aangevuld met 20 a 24 personen uit de rijkste, wijste en voornaamste poorters. Maar in de 17de eeuw werd deze Brede Raad nog slechts 16 keer samengeroepen, daarna in het geheel niet meer. De functies binnen het stedelijk bestuur rouleerden tussen de leden van dezelfde families. Naast Hoffer, De Jonge, Mogge, De Huybert, Rollandt en Pous waren dat vooral de geslachten Boeije, Cau, De Cocp, Ockersse, Schuurbeque, Stavenisse en De Witte. Enkelen van hen maakten carrierre als secretaris of raadpensionaris van Zeeland. Het eigenbelang van de regenten bracht met zich mee dat gestreefd werd naar het beperken van de eigen kring. Daarvoor werd gebruik gemaakt van een bewuste huwelijkspolitiek. Bij voorkeur richtte men zich op andere stedelijke families. Maar daarnaast werden huwelijkspartners gezicht bij families in andere vooral Zeeuwse steden, liefst Middelburg. Nieuwkomers konden een plaats verwerven via de familie van hun vrouw.

 

bron: Zierikzee Monumentenstad aan de Schelde, tekst H. Uil