Nieuwe Haven 1593

 

NIEUWE HAVEN 1593

 

Daar lig ik dan

zover het oog maar reiken kan

tot aan de zeereep in de verte.

Ik stroom het oude stadshart in 

en weer eruit, met tegenzin  

wanneer de eb gaat trekken.

 

Ik spiegel wolken en ik schuur

mijn lichaam langs de kademuur,

ik schraag de schepen op mijn rug

en in mijn diepten hechten algen

aan de stenen en de balken

van de poorten en de brug.

 

Een visser gooit zijn trossen los

en een verdwaalde albatros

zweeft weg op wind en regen.

Wat als ik nou eens overstroom

en spetterend door de straten stoom

op zoek naar nieuwe wegen?

 

Ach nee, ik ga me niet te buiten,

ik dobber rustig langs het Bolwerk en ‘t Luitje

en voer de laatste mosselschepen mee.

Dan maakt de maan een einde aan mijn vloed

en onafwendbaar in een vlaag van zout en zoet

vloei ik terug  naar zee.

 

 

Katinka Canters

Renesse