KRUITHUISJE

Aan de Houwersweg in Zierikzee ligt naast het nieuwe gemeentehuis van Schouwen-Duiveland een bijzonder keldertje. Het diende voor de opslag van munitie.

Vanwege de omstreden lokatie, de voormalige bouwlokatie van het gemeentehuis, was het nog al eens onderwerp van gesprek. Ook in 1914 bracht de oprichting van dit gebouwtje veel tongen in beweging. Op het moment dat in Zierikzee plannen werden gemaakt voor de bouw van een opslagkeldertje voor buskruit en patronen, was er nog geen oorlog in Europa, maar toch, je kon maar beter op je hoede zijn! Een voorraad munitie in opslag hebben was noodzakelijk. Zierikzee bezat geen kruitmagazijn. De Nobelpoort voldeed niet, er werden nog wel wapens bewaard, maar geen mu

nitie meer. Men had de verhuur aan het Rijk opgezegd. In de gevangenis was voor nood een bergplaats voor patronen gemaakt, maar die toestand was niet langer houdbaar. Op 13 maart 1914 deden burgemeester en wethouders de raad een voorstel om een bewaarplaatsje te bouwen op een terrein bij de Zuidwellebrug. De gemeentebouwmeester M.B. van Dorth, had reeds een bestek en een begroting gemaakt. Voor 350 gulden was het plan te realiseren.

Niet alle raadsleden waren het eens met de voorgestelde plaats. A.Timmerman bijvoorbeeld had een goedkoper idee. Op de Algemene Begraafplaats bevond zich nog een gemetselde bewaarplaats van beenderen, die toch niet meer in gebruik was. Deze leek hem wel voor het doel geschikt. De overige raadsleden zagen dit echter niet zitten. Er was nog een ander idee geopperd. De plaatselijke smid-geweermaker Martinus Jacobi, die op het adres Korte Sint Jansstraat 10 woonde had te kennen gegeven, dat hij zijn zolder beschikbaar stelde als kruitbergplaats. De smid was vast vergeten dat in 1852 het pand van zijn voorganger Paulussen ontploft was, doordat er een brandende voetzoeker in een vaatje buskruit terecht kwam. Jacobi’s buren bezaten misschien een beter geheugen en waren er fel op tegen. De raad achtte dit plan dan ook ongewenst. Na nog enig heen en weer gepraat werd er een stemming gehouden. Men koos zowel vóór het bouwen als vóór de uitgekozen plaats. Immers, er bevonden zich in de onmiddellijke omgeving geen gebouwen of lokalen, bestemd voor ziekenverpleging, uitoefening der openbare eredienst of scholen. Dat het vlak naast het woonhuis van de familie Van der Wekken kwam te liggen, was zeker niet belangrijk.

De tekening en de begroting werden ter beoordeling voorgelegd aan enige leden van de commissie van fabricage. Ze vonden de plaats prima. Kruit heeft men immers niet elken dag nodig en kleine hoeveelheden zijn per fiets spoedig gehaald,  meldde de voorzitter van de commissie L. Koopman Czn. Maar de geplande houten schutting er omheen zou onnodig duur worden in onderhoud. Het was beter om een ander type omheining te kiezen. De volgende stap was het aanvragen van een bouwvergunning bij Gedeputeerde Staten en er moest natuurlijk ook een hinderwetvergunning komen. De bekendmaking hiervoor werd verspreid. De belanghebbenden, de gebruikers van de aangrenzende percelen mochten hun bezwaren mondeling komen toelichten op woensdag 13 mei om 12 u

ur. Vijf personen werden aangeschreven, waartoe de bewoners van det aangrenzende woning niet hoorden. Maar wat gebeurde er…  op het bepaalde uur is niemand verschenen. Toch kon men nog niet starten met de bouw. De vergunning en bouwvoorschriften van de Provincie waren nog niet binnen. Deze instantie had advies gevraagd aan het Ministerie van Oorlog, en het duurde nogal lang eer den heer Majoor-Magazijnmeester der Artillerie J. van Vuuren (!) zijn mening te kennen gaf. Hij opperde bezwaren tegen het gedeeltelijk ingraven van de bewaarplaats en het met grond afdekken daarvan. Het zou binnen erg vochtig kunnen worden. Volgens hem was het beter een gewoon bovengronds magazijn te maken, voorzien van een spouwmuur. Zonder grondafdekking, maar met een bliksemafleider erop. En de beste afrastering zou een prikkeldraadomheining van twee meter hoog zijn.

Een gedeelte van zijn adviezen werd ter harte genomen, anderen leken te duur. Er ging van alles mis in dit traject. Brieven werden fout geadresseerd en bijlagen kwamen bij de verkeerde instantie terecht. Maar uiteindelijk, hoera, kwam er bericht van Gedeputeerde Staten binnen, gedateerd 21 augustus 1914 en stond niets meer de bouw in de weg. De gemeente voerde het werk hoogstwaarschijnlijk in eigen beheer uit. Op de buitenzijde van de toegangsdeur, werd een bordje bevestigd met de opschriften: “Buskruit en patronen. Verboden te rooken”. De stad Zierikzee was een opslagplaats voor  maximaal 150 kilo buskruit en 40.000 patronen rijker. Mooi op tijd voor het nieuwe jachtseizoen kon de nieuwe bewaarplaats in gebruik worden genomen. Zowel de gemeente als particulieren die ruimte in het gebouwtje wilden huren, konden vanaf dat moment hun kruit drooghouden.

De majoor met de explosieve naam kwam in 1917 de ruimte nog eens inspecteren. Hij was tevreden.