Mr. Pieter Mogge (1698-1756)

Pieter Mogge werd op 29 december 1698 in Zierikzee in de Meelstraat geboren. Als zoon van een Zierikzees regent was ook hij voorbestemd voor een carrière op de regeringskussens. Pieter ging naar de Latijnse school in zijn vaderstad en studeerde rechten in Leiden en Utrecht. Terug in Zierikzee begon zijn bestuurlijke loopbaan met die van heemraad van Schouwen. In 1720 werd hij lid van de vroedschap en schepen. Later volgden nog andere banen zoals die van opperdijkgraaf van Schouwen. Driemaal was Mogge een jaar lang burgemeester van Zierikzee. In 1737 verliet Mogge Zierikzee omdat hij namens Zeeland zitting nam in de rekenkamer van de generaliteit. Hij vestigde zich in Den Haag. Vier jaar later verwisselde hij deze functie voor afgevaardigde namens Zeeland bij de Staten-Generaal. Mogge had dankzij zijn ouders een fors kapitaal tot zijn beschi
kking. Als enige zoon erfde hij van zijn vader de heerlijkheid Renesse en van zijn kinderloze oom Ockersse de heerlijkheid Dreischor. Mede daardoor was Mogge, die ongehuwd bleef, een schatrijk man. Hij behoorde tot de rijkste Nederlanders van zijn tijd. De band met Zierikzee bleef ondanks het feit dat Mogge er niet vaak meer kwam. Hij wist zich behendig door de politieke stormen van zijn tijd heen te loodsen. In het bijzonder in 1747 was het spannend toen ons land in oorlog raakte met Frankrijk. Toen Mogge aan het havenhoofd arriveerde werd hij door de prinsgezinden uitgescholden voor landverrader. Zij dwongen hem op de vuilniskar van de stad plaats te nemen. Gelukkig werd hem, behoudens een korte gijzeling, weinig overlast aangedaan. Mogge bezat voldoende flexibiliteit om zich in de nieuwe verhoudingen te schikken en keerde terug naar Den Haag om Zeeland te blijven vertegenwoordigen. Na Mogge’s overlijden op 6 november 1756 in Den Haag werd zijn lijk overgebracht naar Dreischor om bijgezet te worden in de grafkelder van zijn ooms Ockersse in de Sint Adriaanskerk. Bij de begrafenis van kregen de genodigden behalve brood, wijn en kaas, ook tabak en pijpen voorgeschoteld. De eeuwenoude beelden van het praalgraf gingen in rap tempo achteruit gingen. Met de 6500 gulden die de gemeente in dat verre verleden als legaat voor onderhoud heeft gekregen, lukte het niet om de boel op te knappen. Ook al kwam dat legaat na gemeentelijke herindelingen
keurig bij de gemeente Schouwen-Duiveland terecht. En vertegenwoordigen die duizenden guldens van toen inmiddels een waarde van 1,9 miljoen euro. Met de rijkssubsidiëring wegwerken restauratieachterstand uit 2008 lukte het wel. Met vereende krachten (onder meer door kerkrentmeesters en gemeente) werd een aanvraag ingediend. Op 29 mei 2009 werd de benodigde subsidie toegekend en kon de restaurantieklus kon beginnen. Een bijzondere klus, want om de monumenten op te knappen zijn de rijkelijk versierde praalgraven volledig gedemonteerd en afgevoerd naar de werkplaats van steenhouwerij Zederik (dochter van de Koninklijke Woudenberg) in Tienhoven. Het complete karwei vergde ongeveer een jaar. De volledige grafkapel is, van het zwart-gouden traliewerk bij de entree tot de beschilderde zoldering, onder handen genomen. Op vrijdag 21 januari 2010 werden de indrukwekkende praalgraven van Mogge en zijn ooms Ockersse na restauratie onthuld door burgemeester Rabelink van de gemeente Schouwen-Duiveland. Groot was de verrassing toen bleek dat Mogge 420.000 gulden had nagelaten aan zijn vaderstad voor het stichten van een universiteit. Bijna alle gewesten hadden ene hogeschool. Zeeuwen moesten echter naar elders om te studeren. Daarin wilde Mogge verandering brengen en tegelijkertijd zijn vaderstad een nieuwe impuls geven. Tot in detail had Mogge zijn plan uitgewerkt. Om de wil van hun stadsgenoot uit te voeren wendde de Zierikzeese vroedschap zich tot de Staten van Zeeland voor hun medewerking. De Staten aarzelden want de stad Leiden maakte bezwaar. Deze, gesteund door de Staten van Holland, beriepen zich erop dat het privilege van hun hogeschool bepaalde dat deze was opgericht voor Holland én Zeeland. Hoeveel moeite de Zierikzeese regenten ook deden, niets mocht baten. Na ruim tien jaar debatteren zag het Zierikzeese stadsbestuur zich in 1767 genoodzaakt het hoofd in de schoot te leggen. Mogge moet deze situatie hebben voorzien want hij had bepaald dat in een dergelijk geval de baten van zijn kapitaal bestemd moesten worden voor de wezen van gesneuvelde soldaten. De oorlog was echter al geruime tijd voorbij zodat ook van dat plan niets kwam. Na overleg met de erfgenamen van Mogge werd besloten de rente voor allerlei nuttige doeleinden in te zetten zoals het ondersteunen van de visserij en koopvaardij. In de jaren zestig van de 20e eeuw toen het de gemeente Zierikzee financieel zeer slecht ging omdat de restauratie van de vele monumenten grote offers vergde, is het legaat te gelde gemaakt voor deze uitgaven. In 2008 liet de stichting Renesse een fraai beeld van Mogge, vervaardigd door Marian van Puyvelde, plaatsen bij de Nieuwe Kerk. (foto’s: archief gemeente Schouwen-Duiveland, praalgraf: Dirk-Jan Gjeltema))

tekst: Huib Uil, gemeentearchivaris van Schouwen-Duiveland