Koos Keeleman (1862-1949)

Stads- en dorpstypes waren vroeger een alledaags verschijnsel. Zij hadden een bekendheid die vele malen groter was dan die van de burgemeester, de dokter, de notaris of de rechter. Meestal deden ze weinig kwaad en wanneer zij te veel werden geplaagd, was er altijd een politieagent of veldwachter die zorgde dat ze met rust werden gelaten. Als de betrokkene het zelf te bont maakte, dan was een dag opsluiting voldoende om hem of eventueel haar weer tot bedaren te brengen. Koos Keeleman uit Zierikzee was zo iemand Koos kan eigenlijk beter getypeerd worden als een eilandtype want hij was vaak buiten Zierikzee te vinden. In Zierikzee woonde hij in de ‘Schosjes’, de armenwoningen bij de Hofferstraat. Vader Isaäk Keeleman was arbeider en later paardenviller. Koos – officieel Jacobus – werd geboren uit het eerste huwelijk dat in een echtscheiding eindigde. Vader Keeleman hertrouwde een jaar later met een tien jaar jongere vrouw. Pa Keeleman stond in Zierikzee bekend als ‘de baljuw’. Waaraan
hij die naam te danken had, blijft, net zoals bij zoveel andere bijnamen, in het ongewisse. De baljuw is vooral in de herinnering gebleven vanwege zijn herhaaldelijke dronkenschap. Op een keer was hij zo laveloos dat hij op een kruiwagen van de Oude Haven werd vervoerd naar zijn huis in de Verrenieuwstraat waar hij werd gelost. Koos Keeleman had als bijnaam ‘de Poette’. Ook de herkomst van die naam is duister. Misschien moeten we denken aan het Zeeuwse woord poeten, het erin stampen. Dat kan dan weer niet slaan op gloedrijke toespraken van Koos want hij sprak gebrekkig. Koos kwam in aanraking met het gerecht. Dat was de reden dat hij in Hoorn terecht kwam waar hij een poosje kostganger was in de strafgevangenis. Na zijn terugkeer kon hij evenals zijn vader niet altijd van de sterke drank afblijven. Ook om die reden was hij bij herhaling te gast in het Huis van Bewaring in Zierikzee, het Gravensteen. Dit moet een positieve uitwerking hebben gehad want Koos was weliswaar een eigenaardig en eigenzinnig type, maar delicten pleegde hij niet. Het zat hem ook niet mee. Lees maar mee wat er in de krant in 1913 stond:

‘Eenige dagen geleden werd alhier de inboedel verkocht van den onlangs overleden M.W. Daarbij was ook een ton met oude bijna waardelooze rommel, ook een paar kousen. Men gaf die aan een zekeren Koos K., een niet geheel toerekenbaar persoon. Genoemden persoon werd later in het bezit gevonden van negenhonderdvijfentwintig gulden aan bankpapier, een som die onmogelijk als zijn eigendom kon beschouwd worden en waarvan hij de herkomst niet wilde opgeven…Men vermoedde dat die geldswaarden uit genoemde inboedel en wel uit het oude paar kousen afkomstig was die genoemde K. had gekregen, wat hij dan ook later moet bekend hebben’.

Koos liep met een jute zak over zijn schouder en een stok in de hand over het eiland. Op de foto heeft Koos zijn pet even afgenomen. Altijd was er wel iemand die hem iets wilde meegeven en wat in zijn zak verdween. De arme Koos werd ook nogal eens beetgenomen. Zo kreeg hij een keer van slager Stouten uit Oosterland een stuk paardenvlees. Later kwam Koos nog eens aan. Hij moest melden dathet stuk na vier dagen koken nog niet te eten was. Het was een stuk van het geslachtsdeel van een hengst… Was hij in Bruinisse dan gaf iemand hem wel eens een tramkaartje zodat hij niet terug hoefde te lopen. Toen de tram op het punt stond om te vertrekken, hield Koos vrolijk zijn kaartje omhoog en wapperde ermee in de richting van de machinist: ‘ik jullie voor de gek ‘ouwe’.’ (foto’s: gemeentearchief Schouwen-Duiveland)

 


tekst: Huib Uil, gemeentearchivaris van Schouwen-Duiveland