PIETER CALAND (1826-1902)

Pieter Caland. Geboren op 23 juli 1826 in Zierikzee in het pand Oude Haven 51 als zoon van Abraham Caland en Catharina Wilhelmina van der Plas. Op 15 jarige leeftijd werd hij toegelaten op de militaire academie in Breda als kadet voor waterstaat. Hij doorliep in deze dienst alle rangen, waarbij hij beurtelings in Middelburg en Zierikzee dienst deed als adspirant-ingenieur. Op 1 april 1881 volgde zijn benoeming tot hoofdinspecteur, de hoogste rang in het corps. In 1849 huwde hij met Jonkvrouwe Helena de Jonge, uit welk huwelijk zeven kinderen werden geboren, waaronder de latere hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Zeeland, Marinus Caland. Pieter Caland blijft onverbrekelijk verbonden met de in de jaren 1864-1873 aangelegde Nieuwe Waterweg tussen Rotterdam en Hoek van Holland. In weerswil van verguizing en tegenwerking heeft hij het principe van een open waterweg naar zee gehandhaafd. In 1952 vermeldt Ringers: “De tijd is nu gekomen, om te erkennen dat Caland’s opzet om de Waterweg onbelemmerd naar zee te laten stromen via doorgraving van de Hoek van Holland, geslaagd mag worden genoemd en voor Rotterdam en heel Nederland zegenrijke gevolgen heeft gehad.”. Eerbewijzen kreeg hij zoals gewoonlijk pas na zijn dood. Rotterdam eerde hem met het Calandplein en in zijn geboortestad Zierikzee werd het raadsbesluit van 30 juni 1955 in de nieuwbouwwijk Malta de Calandweg naar hem genoemd. Later kreeg ook Zierikzee een Calandplein. Op initiatief van stadsarchivaris C. Postma van Zierikzee en het historisch genootschap “Roterodamum” te Rotterdam, werd in 1959 op de gevel van zijn geboortehuis een gedenkplaat aan gebracht met als tekst: “In dit huis werd op 23 juli 1826 geboren Pieter Caland, ontwerper van de Nieuwe Waterweg en daardoor grondlegger van de Rotterdamse welvaart”. Zijn vader heeft hem altijd zeer bemoedigd en schreef hem op 12 december 1868, toen er allerlei moeilijkheden waren ontstaan bij het graven van de Nieuwe Waterweg: “Bedenk dat er nooit iemand geweest is, of hij leed aanstoot, miskenning en somtijds verguizing; doch voor wien men naderhand geen lofzangen genoeg had, ja er zelfsstandbeelden voor oprigtte”.