ABRAHAM CALAND (1789-1869)

Zelden heeft een Zeeuw zo’n opmerkelijke carrière gemaakt als Abraham Caland. Van dijkwerkersjongen klom hij op tot een opmerkelijk bekende waterstaatingenieur. Zijn jaren in Zierikzee waren niet de minste want hij drukte een stevig stempel op alles wat met waterstaat te maken had. Abraham Caland werd in Westkapelle geboren. Net als zoveel van de dorpelingen ging de kleine Bram aan ‘de dijk’ werken. De Westkappelse zeedijk had veel onderhoud nodig en verschafte daarmee een groot deel van het dorp een broodwinning. Bram groeide op in een armoedige tijd. Het verhaal gaat dat hij uit bedelen werd gestuurd om zo het gezinsinkomen op peil te houden. Van deze bedeltochten hield Bram wat duiten over en ging ermee naar de schoolmeester van zijn dorp om les te krijgen. Die onderkende het talent van de jongen en gaf Bram zoveel onderwijs dat hij in 1803 werd toegelaten op het instituut voor de waterstaat, dat gevestigd was in de Abdij in Middelburg.

Daarna werd hij opzichter bij de polder Walcheren. In 1812 stapte hij over naar de Rijkswaterstaat. Vanaf 1826 was Caland in Zierikzee werkzaam waar hij verantwoordelijk was voor Schouwen-Duiveland en later ook voor Tholen en Sint Philipsland. Hij doorliep er alle rangen tot hij uiteindelijk in 1837 hoofd werd van het district Zeeland.

In de omgang was hij niet altijd gemakkelijk. Tijdgenoten vonden hem zeer autoritair. In zijn tijd hielden de ingenieurs van de Rijkswaterstaat zich ook bezig met de bouw van kerken vanwege de rijkssubsidies voor de bouw ervan. Dat verklaart de bemoeienis van Abraham Caland met onder meer de bouw van de Nieuwe kerk waarvan de plannen naar zijn inzichten werden gewijzigd in de huidige zaalkerk. In de rang van hoofdingenieur bleef Caland actief tot 1854.

Opmerkelijk was dat Abraham Caland vervolgens aan een bestuurlijke carrière begon want hij werd president van de Centrale directie van de Polder Walcheren. Daarnaast was hij ook lid van de gemeenteraad in zijn woonplaats Middelburg en enige tijd lid van provinciale staten. Faam kreeg Caland door zijn publicaties. Hij schreef over de Zeeuwse polders, ontwierp een haven voor Scheveningen en dacht mee over een directe verbinding van Amsterdam met de Noordzee. Zijn meest indrukwekkende publicatie was de ‘Handleiding tot kennis der dijksbouw en zeeweringskunde’, dat in 1833 in Zierikzee verscheen. Nog altijd is dat een betrouwbare gids voor wie wil weten wat het waterstaatswerk in de negentiende eeuw inhield.

Abrahams zoon, Pieter Caland, kreeg landelijke bekendheid. Hij trad in de voetsporen van zijn vader en was de grote man achter de Nieuwe Waterweg, een project waarmee hij in zijn tijd veel verguizing moest ondergaan. Pas later zijn de verdiensten van Pieter Caland erkend want deze verbinding zorgde voor de opbloei van Rotterdam als wereldhaven. Aan het huis waar hij in 1826 in Zierikzee werd geboren, werd in 1969 ene gedenkplaat aangebracht door het Genootschap Roterodamum. In de wijk Malta werd een weg en een plein naar hem vernoemd.

Vader Caland moest zijn Piet vaak een hart onder de riem steken als hij weer het mikpunt van kritiek was geweest. In 1868 schreef hij: ‘Bedenk dat er nooit iemand geweest is, of hij leed aanstoot, miskenning en somtijds verguizing; doch wien men naderhand geen lofzangen genoeg had, ja er zelfs standbeelden voor oprigtte’. Nog geen veertig jaar later werd in Rotterdam een monument voor Pieter Caland onthuld. Boven: Abraham Caland, 19e eeuws schilderij, behorend tot de collectie van het archief Schouwen-Duiveland. (foto: J.D.C. Berrevoets)

tekst: archivaris gemeente Schouwen-Duiveland, H. Uil