NIEUWE HAVEN

Zierikzee dankt haar ontstaan, bloei en welvaart aan het water. De positie van de haven was strategisch. De Zierikzeese schepen voeren onder meer naar Engeland en de Oostzeelanden. De kreek, waaraan Zierikzee ontstond, werd afgedamd en getransformeerd tot een haven, die vanaf de beide havenpoorten doorliep tot aan de overgang van de Dam naar de Mol. Daar was een spuisluis. Het water liep verder via de Schuithaven in noordelijke richting, achter de Hem en de Steiltjesstraat om uit te monden in de stadsgracht. Die noordelijke tak werd later benut als boezem om het water vast te houden. Bij laag water werd de spui geopend en stroomde het water met kracht weg, de slibdeeltjes meenemend. Dan werd ook de krabbelaar of mol ingezet. Dat was een schip voorzien van scherpe uitsteeksels waarmee de bodem werd losgewoeld. Een model van deze krabbelaar is te vinden in het stadhuis. Aanvankelijk boden de havendijken bescherming. Later werden houten beschoeiingen gemaakt, die vervolgens werden vervangen door kademuren. Toen in de 16de eeuw de haven, die uitmondde in de Gouwe, verzandde, was het duidelijk dat alleen een verbinding met open water Zierikzee nieuwe kansen kon bezorgen. Na het moedig doorstane beleg door de troepen van de Spaanse koning in 1575/1576 moest Zierikzee tenslotte zwichten. Eind 1576 verlieten de troepen alweer de stad, maar ze lieten een verarmd Zierikzee achter. Het herstel van de dijken en de betaling van de vele schulden kostten meer dan een miljoen gulden. Toch ging het stadsbestuur niet bij de pakken neerzitten. De economie moest nieuwe impulsen krijgen. Daarvoor was een goede verbinding met de Oosterschelde van onschatbare waarde. Het plan om een nieuwe haven ten zuiden van de stad, bij het dorp Borrendamme, aan te leggen liet het stadsbestuur varen. Tenslotte werd in 1593 gekozen voor het graven van een kanaal naar de Oosterschelde (zie foto rechts). Het was een voor die tijd ambitieus project, dat ter hand werd genomen.
Over een lengte van maar liefst 3 kilometer moest met in onze ogen primitieve middelen een havenkanaal worden gegraven, dat geschikt zou zijn voor de koopvaardijschepen. In de jaren 1597-1599 werd het karwei geklaard. Het havenkanaal sloot aan op de zuidelijke stadsgracht. Van die gracht kon de (oude) haven worden bereikt. De richting van het kanaal was bewust gekozen naar het zuidwesten. De wind waaide vaak uit die hoek en zo hadden de schepen de minste moeite de haven binnen te zeilen. Op de beide dijken werden jaagpaden aangelegd. Met behulp van paarden konden, bij een ongunstige wind, de schepen naar binnen en naar buiten worden getrokken. De zuidelijke stadsmuur werd vrijwel geheel afgebroken. De wal werd herschapen in een kade, waarlangs de schepen konden afmeren. Zo ontstond de Nieuwe Haven. Bolwerken en andere verdedigingswerken werden aangelegd om de haventoegang te beschermen. Zo kon Zierikzee met vertrouwen de 17de eeuw ingaan. Een grote visserij- en koopvaardijvloot bracht opnieuw welvaart en voorspoed in de stad. Tot in de 18de eeuw telde Zierikzee dankzij die vloot op maritiem terrein behoorlijk mee. Aan dat grote maritieme verleden herinnert de Slavenkas.
 Dit fonds werd in 1735 ingesteld om Zierikzeese zeelui los te kopen die door Barbarijnse zeerovers gevangen waren genomen. Het fonds bestaat nog steeds. Zeelui hoeven niet meer losgekocht te worden. Daarom wordt het fonds voor andere nuttige dingen ingezet. Het is één van die dingen die Zierikzee zo bijzonder maken. Oude monumenten en oude instellingen zijn niet alleen herinneringen aan een rijk verleden. Ze worden nu dienstbaar gemaakt in het heden. Heden ten dage is Zierikzee de thuishaven voor een mosselvloot, die fier de letters ZZ op de steven draagt. Maar de haven wordt gedomineerd door de vele jachten, groot en klein, die hier afgemeerd liggen. Zierikzee is de drukste passantenhaven in Zeeland. Eén van de redenen is om de eigen sfeer die de stad uitstraalt. De haven vormt zo een trefpunt voor velen.