MOBILISATIE 1914-1918

De moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand op 28 juni 1914 en de reactie van de Oostenrijkse regering op 23 juli 1914 op deze moord had voor Europa en ook voor ons land zeer grote gevolgen. Op 31 juli daaropvolgend was de Nederlandse regering van mening dat een oorlog tussen Duitsland en Rusland spoedig zou uitbreken en besloot ’s middags om tien over twaalf over te gaan tot de mobilisatie van alle militaire reserve-eenheden. Om drie uur die middag werden op alle gemeentehuizen in het land de mobilisatieoproepen voor de Landweer, Militie en Zeemacht aangeplakt en door het luiden van de kerkklokken onder de aandacht van de bevolking gebracht. Reeds de volgende dag was de mobilisatie van de grens- en kustbewaking een feit. Hoewel Nederland buiten het conflict bleef en haar neutraliteit behield, zou de mobilisatie vier lange jaren duren en ook aan Zierikzee en het eiland niet ongemerkt voorbijgaan. Al in de eerste week van augustus werd de derde compagnie van het 38ste bataljon landweerinfanterie in Zierikzee gelegerd.
De eerste dagen werden de manschappen bij de burgers ingekwartierd om vervolgens in het pand Oude Haven nz. A 429 (foto links) (thans Noordhavenpoort 2)  te worden gekazerneerd. De commandant van genoemde eenheid bood de oud-officier dokter A, van der Hoeven, arts te Zierikzee, de betrekking van officier van gezondheid voor het garnizoen. Deze aanvaardde het aanbod met graagte, “om zo voor zijn vaderland nuttig werkzaam te kunnen zijn”. Al direct werd de dokter de met ernstig zieke soldaat Geluk uit Sint Annaland geconfronteerd. Deze had een kou gevat en had dagelijks verpleging nodig. Daar dit in de volgepropte kazerne onmogelijk was, werd besloten Geluk over te brengen naar het hospitaal in Middelburg. Daar werd hij wegens ernstig borstlijden afgekeurd en naar zijn woonplaats vervoerd, waar hij enkele weken later overleed. De eerste zorgen van de dokter waren een beter onderkomen voor de manschappen en de dringende behoefte om een hospitaal in te richten waar ernstig zieken konden worden verpleegd. Het huis aan de Oude Haven was overbevolkt en volkomen ongeschikt om het grote aantal manschappen (circa 100) te bergen.
De verhuizing naar de ambachtsschool aan het Kerkhof (rechts) was een grote verbetering. De gemeente Zierikzee verhuurde dit uit circa 1600 daterende patriciërshuis voor één gulden per dag aan het Rijk ten behoeve van het gedetacheerde landweerbataljon. Spoedig werd ook een gebouw gevonden om een hospitaal in te richten. Het voormalige evangelisatiegebouw in de Lange Nobelstraat A 157 (thans 34) werd welwillend ter beschikking gesteld. Van alle kanten werd hulp geboden bij de inrichting. Burgemeester Van der Vliet zorgde dat over beddengoed en huishoudelijke artikelen uit gebouw voor besmettelijke ziekten in de Manhuisstraat kon worden beschikt. De hervormde diaconie schonk nachtkastjes en lakens, burgers brachten tafels en stoelen, boeken en tijdschriften en het Rode Kruis zorgde voor wijn, jam, chocolade en schilderijen. Op 15 november 1914 werd het hospitaal geopend en werd door het Militair Gezag als zodanig erkend met alle rechten in oorlogstijd. Mevrouw Van der Hoeven werd benoemd tot directrice. Zij verzorgde de huishouding, en steunde en troostte ernstig zieken, die vaak ver verwijderd van hun familie in eenzaamheid leden. In het tegenover het hospitaal gelegen “Lokaal voor soepuitdeling” werden de maaltijden bereid. In het hospitaal werden alleen de ernstig zieke militairen verpleegd. De lichtere gevallen kregen na onderzoek tijdens het ziekenrapport “kwartierziek” al dan niet met voorgeschreven bedrust, anderen kregen vrij van “staande en lopende dienst”. Een enkeling misleidde de dokter en simuleerde een of andere kwaal omdat hij geen zin had in een lange, vaak zware veldoefening. Meestal vielen ze echter door de mand. De invasie van de Belgische vluchtelingen bracht voor de dokter en zijn hospitaalsoldaten extra zorgen mee. Een gedeelte van de Concertzaal werd ingericht om de zieke vluchtelingen onder te brengen. Ook bij de ernstige gevolgen van de diverse mijnexplosies op het eiland en het bombardement op Zierikzee in de nacht van 29 op 30 april 1917 verleende de dokter en zijn hospiks belangrijke hulp. Het grote aantal zieke militairen tijdens de Spaanse griepepidemie in 1918 stelde de dokter en zijn medewerkers voor grote problemen. Naast de reguliere patienten moesten in totaal 83 griepgevallen worden verpleegd. Het hospitaal bood echter aan maximaal 25 zieken plaats. Gelukkig kon men beschikken over het leegstaande gebouw van het Leger des Heils in de Kinderstraat B 413a (thans 1), dat als dependance werd ingericht. Toen op 9 december 1918 het hospitaal werd gesloten bedroeg het aantal verpleegden sinds de opening 306.

(Tekst: Joop van Loo) 

BOMBARDEMENT

In de Eerste Wereldoorlog (1914 1918) werd in België zwaar gevochten tussen Duitse en Geallieerde troepen. Ons land was neutraal, maar kreeg toch direct met de oorlog te maken. In de nacht van 29 op 30 april 1917 vlogen Engelse vliegtuigen aan op de Belgische kust. In Zeebrugge lagen namelijk Duitse onderzeeboten. Eén van de vliegtuigen raakte verdwaald en zag het Zeeuwse Zierikzee voor Zeebrugge aan. Een onbedoeld bombardement was het gevolg. Zierikzee werd om half drie geraakt: drie doden, veel gewonden en een flinke ravage waren het gevolg. ‘De ledematen vlogen meters ver weg’, schreef de Middelburgsche Courant. Daags na het bombardement regelde de gemeente noodopvang en voedsel voor de getroffenen. De pers pakte de ramp op en al gauw kwamen belangstellenden om de puinhopen te bekijken. Giften kwamen binnen uit het hele land en op 12 augustus werd een liefdadigheidsconcert gegeven voor de ouders van de overledenen. Een handige uitgever bracht ansichtkaarten van de vernielingen in omloop. In de maanden daarop ontstond er een discussie over de schuld. Experts hadden bomscherven verzameld en ontdekten Engelse kenmerken. De regering deed haar beklag bij de Britse overheid, maar die ontkende elke betrokkenheid. Zij suggereerde dat Duitse vliegeniers met buitgemaakte vliegtuigen de aanval hadden uitgevoerd. Uiteindelijk erkende Engeland schuld en betaalde in mei 1918 honderdtwintigduizend gulden schadevergoeding uit.

(Tekst: Anno