SAILING LETTERS

Kaapvaart was in het verleden een strak georganiseerde manier om afbreuk te doen ana de vijand. Gesteund door de overheid kregen de reders toestemming om met hun vaartuigen vijandelijke schepen te overmeesteren. Ze moesten zich houden aan regels die erin voorzagen dat het schip, de bemanning en de lading goed verzorgd werden. Dat gebeurde vanuit Nederland maar ook vanuit Engeland. Aangezien ons land regelmatig in oorlog was met Engeland werden over en weer schepen gekaapt. de Engelsen hadden daarbij de gewoonte om alle papieren in beslag te nemen om als bewijsmateriaal te dienen voor het Engelse High Court. In totaal elfhonderd dozen vol Nederlandse papieren bevinden zich in het Nationaal Archief met naar schatting 40.000 brieven. Een kwart daarvan komt uit Zeeland. deze collectie staat bekend onder de intrigerende naam ‘Sailing letters’ waarvan de vertaling ‘zeilende brieven’ goed Nederlands is. Na de ontdekking van deze papieren publiceerde de journalist Roelof van Gelder artikelen in de NRC. Die verschenen in bewerkte vorm in zijn boek ‘Zeepost. Nooit bezorgde brieven uit de 17de en 18de eeuw’. De verzameling bevat allerlei, vooral particuliere, brieven die op deze wijze weliswaar nooit op hun bestemming  zijn aangekomen, maar juist daarom onder onze ogen konden komen. Dankzij het Engelse rechtssysteem bleven ze bewaard want in Nederland werden zulke brieven, na een nauwkeurig onderzoek, als regel teruggegeven. Eén van de mensen die gefascineerd is geraakt door deze brieven is de
Zierikzeeënaar Erik van der Doe die in Den Haag werkzaam is. Samen met twee collega’s gaat hij af en toe naar Engeland om de collectie te ontsluiten. De Engelse archivarissen zijn niet te bewegen het materiaal tijdelijk uit te lenen aan een Nederlandse archiefdienst. Dat betekent dat de voortgang in de bewerking niet groot is. Een selectie van de vondsten publiceren zij in een reeks die als naam kreeg: ‘Sailing Letters Journaal’. Het eerste deel draagt als titel ‘De dominee met het stenen hart en andere overzeese briefgeheimen’. Deel twee verscheen onder de titel ‘De smeekbede van een oude slavin en andere verhalen uit de West’. Deel drie is in november 2010 uitgekomen. Uiteraard zitten er ook Zierikzeese brieven bij want de stad telde met haar koopvaardij- en vissersvloot flink mee in zeevarend Nederland. Erik van der Doe belicht in een van zijn bijdragen de brief die Nicolas Touser in 1781 vanuit Curacao schreef aan zijn vrouw in Zierikzee. Zij woonde in het Lange Groendal. De brief werd niet door Touser geschreven maar namens hem door de kapitein van zijn schip, Johan Willem Sextroth. Het schip was de ‘Vrouw Catharina Jacoba’, dat vanuit Zierikzee werd uitgereed door Gillis van IJsselstein. De brief werd meegegeven met een ander schip, ‘de Harmonie’, dat door de Engelsen werd gekaapt tijdens de vierde Engelse oorlog. In zijn brief heeft Touser veel klachten waarin hij zijn vrouw laat delen. Hij was ziek geweest, hij had heimwee naar huis, wilde zijn vrouw en kinderen graag weerzien, de koffie was even duur als in Zierikzee, kortom een lange waslijst. Zijn vrouw had er misschien uit kunnen concluderen dat Nicolas weer beter was en dat hij verlangde naar een spoedige thuisreis. Wat er van Touser geworden is, blijkt niets, wel dat zijn schip eind mei 1782 weer terug was in Zierikzee. Nicolas Tousers laatste woorden klinken via dit mooie boek door tot in onze oren: ‘Nu waarde vrou, ik blijve uwen beminde en getrouwe man tot der doot, Nicolas Touser’.

 

tekst: Huib Uil, archivaris gemeente Schouwen-Duiveland