HAVENKANAAL

Wanneer met uit het zuiden uit per schip via het havenkanaal de haven van het aloude Zierikzee binnenvaart, ziet men de stad van zijn voordeligste kant. Het fijn gekartelde silhouet van de spitse torentjes, de overwegend rode daken en de indrukwekkende stompe Sint Lievens Monstertoren zorgen voor een prachtig Panorama. Van dit vergezicht kunnen we tegenwoordig ook genieten vanaf de Zeelandbrug.

Het Havenkanaal/Nieuw Haven werd gegraven in 1597-1599. Omdat de Gouwe, vanaf de Zuid- en Noordhavenpoort via het Sas naar het Dijkwater dichtslibte en daardoor vrijwel onbereikbaar werd voor schepen, werd een nieuwe waterweg naar de stad gegraven. De stadsgracht (thans de Nieuwe Haven)  werd verbreed en voorzien van een kademuur als aanlegplaats voor schepen. Op 13 maart 1599 had de officiële ingebruikneming plaats. De Nieuwe Haven/Havenkanaal is een echte getijdehaven waar het verschil in waterstand varieert van 3 tot 3,5 meter.

 

HET LUITJE:

Kort na 1600 werd bij het (blauwe) bolwerk, een deel van de oude stadsmuur, een op palen staand plankier gemaakt, waarover men kon lopen om, zo nodig, de schepen uit de haven te trekken. Na 1651 werd dit plankier als jaagpad gebruikt. Zo’n plankier heette een “leuytje” en dit werd later de benaming van de aanlegplaats bij het bolwerk (het Luitje) . Op het Luitje stond het “weethuisje”. Hier opereerden gedurende meer dan twee eeuwen de afslagers en collecteurs van groente en fruit. Op 1 juni 1929 werd deze zogenaamde wete definitief afgeschaft. Een “wete” betekent nog steeds een aanmaning tot betaling. Van 1798 tot 1830 was Johannes Peute afslager van deze “groenselnering”. De nog bekende Zierikzeese uitdrukking Betalen, zei Peute, herinnert aan deze man.

Afsluiting van de haven:

In 1599 -middenin de tachtigjarige oorlog- maakte men in het Havenkanaal staketsels om de vijand het binnendringen te beletten. De vaargeul werd gedurende de nacht, door de “boomsluyter”, afgesloten met een zware balk, die naar buiten open kon slaan. Deze boom werd in 1750 verwijderd omdat de handelsvaart er teveel door werd belemmerd. In 1782 werd toch weer een balk aangebracht zodat men de haven kon afsluiten wanneer met dit nodig achtte. De boom werd tenslotte in 1845 voor 48 gulden (ongeveer € 22,00) verkocht. In de Tweede Wereldoorlog werd de haven door de Duitsers, die bevreesd waren voor geallieerde landingen, afgesloten. In de haveningang werd een versperring aangebracht van lege olievaten, die met touwen aan elkaar waren verbonden.

 

VERVOER:

Vóór 1825 was het slechts mogelijk om, als men van een openbaar middel van vervoer gebruik wenste te maken, per beurtschip het eiland te verlaten. Dit beurtschip was dan een zeilschip en bij mist, windstilte of storm was het bepaald geen plezierreisje. Vóór 1843, toen het verste sas in het Dijkwater gesloten werd, ging de reis meestal door dit vaarwater naar de steden in Holland. In 1825 kwam een stoombootdienst Middelburg-Rotterdam tot stand. Voor de formidabele som van 10 gulden (€ 4,50) kon men deze reis in 11 uur maken. Men moest dan wel eerst per grote geelgekleurde diligence, getrokken door 3 paarden, naar Zijpe. Hierdoor kwam het personenvevoer per zeilschip vrijwel tot stand. Pas op 2 mei 1847 voer voor het eerst het stoomschip “Stad Zierikzee”, direct op Rotterdam en deze dienst werd, ondanks grote verliezen, tot 1898 volgehouden. Na opening van de Zeelandbrug in december 1965 werd de bootdienst overbodig.

 

OOSTELIJK HAVENHOOFD:

Op het oostelijk havenhoofd stond vroeger een huis met een schuur waarin de jaagpaarden werden gestald. Dit huis en schuur verdwenen op 24 augustus 1801 door een oeverval in de aldaar 60 meter diepe Schelde (Oosterschelde). Het havenhoofd kostte altijd bijzonder veel aan onderhoud, zodat het wel een “quistegeld” werd genoemd.

 

 

 

 

WESTELIJK HAVENHOOFD:

Op het westelijk havenhoofd stond een woonhuis annex café, met bovenop dit huis “he licht van ’t ‘oôd van Zierikzee”, dat een dubbele functie had. Het vaste licht, met een rood-groene sector en petroleum als brandstof had, deed dienst als kustlicht en tevens als havenlicht. Het huis werd gebouwd in 1602 en werd tot 1908 bewoond door lantaarnopsteker Kooreman. Het werd afgebroken tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij de steiger leden grote zeilschepen aan, omdat deze niet konden laveren in de betrekkelijk smalle haven. De schipper ging dan naar “’t úus van ’t ‘aeven’oôd”, dat tevens café was. Terwijl de schipper zich hier wat moed kon indrinken, begaf de vrouw van de lantaarnopsteker zich te voet over de Westhavendijk naar de Wevershoek waar de scheepsjager woonde, die met zijn jaagpaarden moest komen om het schip de haven in te trekken.

Tijdens de mobilisatie van 1914-1918 werd dit huis als kazerne gebruikt, waarin onder meer de zangers Leenhouts en Kees Prins waren gelegerd. Dat de laatste zijn vrije tijd in de stad doorbracht, blijkt uit zijn bekende lied: “Ik heb mijn hart in Zierikzee verloren…”

Naast dit huis stond een peilhuisje waar destijds de maximum en minimum waterhoogten werden geregistreerd. Het werd na de watersnood afgebroken.

 

KEERSLUIS:

Met de bouw van de keersluis halverwege het havenkanaal werd en einde gemaakt aan de eeuwenlange strijd van het stadsbestuur  om de binnenstad tijdens springtij vrij van het opdringerige vloedwater te houden. Op woensdag 16 september 1959 werd de sluis door de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat drs. H.A. Korthals in bedrijf gesteld.