GROEI & BLOEI

QUAAL- OF POORTAMBACHT

Willem III, Graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen beloonde Zierikzee voor de bewezen trouw, de heldhaftige steun en dapper doorstane belegeringen. Zo kreeg de stad het Quaal- of Poortambacht, het gebied rond de stad, geschonken. Dankzij de verkregen voorrechten werd de handelspositie versterkt en uitgebreid. De koopvaardijvloot groeide en Zierikzee won aan betekenis. Zierikzeese schepen waren te zien van de Oostzee tot en met het Middellandse zeegebied. De vissersvloot ving haring voor de kust van Schonen (Zuid-Zweden). Bij Falsterbo en Skanör kreeg de stad in 1368 van koning Albert van Zweden het recht om daar een stuk land te bezetten met eigen bestuur en rechtspraak. Dezelfde voorrechten kregen Amsterdam, Brielle en Elburg. In het genoemde jaar brachten 96 Zierikzeese schepen voor een waarde van meer dan een miljoen gulden mee naar huis. De te behartigen belangen waren er de oorzaak van dat Zierikzee betrokken werd bij vijandelijkheden tegen de Deense koning. In deze periode was Zierikzee formeel geen lid van de Hanze, maar er waren wel hechte contacten.

 

ZOUT

Zout vormde een belangrijk exportartikel. Het werd gewonnen uit veen wat een hoog zoutgehalte had en dat in grote hoeveelheden aanwezig was. Dit werd ‘darinkdelven’ genoemd. Het veen werd na droging verbrand. De as (Zelas) werd met zeewater vermengd en vervolgens in grote pannen op vuur ingedampt. Dat gebeurde in de houten met riet gedekte zoutketen (zie afbeelding). De kristallen, die op de bodem achterbleven, leverden het zelzout op. Het Zierikzeese zout was fel begeerd en werd verhandeld tot ver in het buitenland. Het werd gebruikt voor het conserveren van vlees en vis. Zierikzee was één van de belangrijkste leveranciers van vis en zout voor Brabant, Vlaanderen en het Rijnland. De zoutketen bevonden zich in de vroege Middeleeuwen binnen de stadsmuren en waren dikwijls de oorzaak van grote stadsbranden. Later werden ze buiten de stad, aan de Vissersdijk gebouwd. Namen in die buurt, zoals: Zoutkeetstraat, Zelkeweg en Zelkevoetpad herinneren nog aan de zelnering. Het afval van de zoutketen werd op hopen gegooid, waardoor er grote, met gras begroeide heuvels ontstonden, de Zuidzelke en de Noordzelke. Beide zelken werden door de stad verkocht aan fabrieken die dit afval gebruikten bij de glasfabricage. Het keetslik werd ook wel gebruikt om de voergangen in veeschuren te verharden. Aan het oude waterleidinggebouw op de hoek Jannewekken-Lange Nobelstraat waar thans communicatiecentrum de Vries is gevestigd, werd de vorm van de oude zoutketen gegeven.

 

LAKENNIJVERHEID

Ook de lakennijverheid was van belang. De lakenhal werd in 1340 uitgebreid tot 40 stallen. Daar moesten de bereiders hun laken laten keuren. Deze tak van industrie had een belangrijke impuls gekregen doordat, volgens een grafelijk privilege van 1305, de bij de lakennijverheid betrokken ambachtslieden in Zeeland beooster Schelde zich alleen in Zierikzee mochten vestigen. Uit Engeland werden ruwe lakens ingevoerd, die in Zierikzee weren geverfd en afgewerkt.

 

LANDBOUW

De relatie met het land van Schouwen kwam vooral tot uitdrukking op het gebied van de landbouw. De stad werd de centrale marktplaats voor de producten. In 1426 werd bepaald dat het voor uitvoer bestemde graan eerst naar de markt in Zierikzee moest worden gebracht. Door deze maatregel werd ook de eigen voedselbevoorrading veiliggesteld. Deze monopoliepositie kreeg de stad ook voor de handel in meekrap. In zogenaamde meestoven werden de wortels van de meekrapplant gedroogd en vermalen tot een rode verfstof. In 1531 werd bepaald dat alle mee in Zierikzee gekeurd moest worden. De Zierikzeese mee had een grote faam voor wat betreft de kwaliteit.

 

ECONOMISCHE POSITIE

De positie van Zierikzee als regionaal centrum voor handel en nijverheid was vooral te danken aan de gunstige ligging aan de belangrijkste vaarroute tussen Holland en Vlaanderen en dichtbij open water. Na het verzanden van het noordelijk deel van de Gouwe, gevolgd door de inpoldering van de schorren tussen de eilanden Schouwen, Dreischor en Bommenede, bleef het Dijkwater en het zuidelijk deel van de Gouwe geschikt om de Zierikzeese haven te bereiken. De belangrijkste plaats die Zierikzee op economisch gebied innam, bezorgde haar ook een vooraanstaande positie op staatkundig terrein. Die positie werd versterkt door haar strategische ligging en de mogelijkheden van vooral de vloot. De financieel gunstige situatie stelde de stad in staat grote sommen geld te lenen aan de graven, die deze nodig hadden voor hun oorlogen. Die economische machtspositie kan op andere wijze treffend worden geïllustreerd: in 1425 telde de stad maar liefst 40 gilden. Deze positie had ook schaduwkanten. De stad werd betrokken bij de Hoekse en Kabeljauwse twisten rond de opvolging van Willem IV. Zierikzee hoorde aanvankelijk tot de partij van de Hoeken. De financieel-economische belangen speelden daarbij een belangrijke rol. In 1347 onderwierp de stad zich aan het landsheerlijk gezag, maar niet voor lang. Graaf Willem V (zie afbeelding rechts) dwong Zierikzee in 1351 om zijn zijde te kiezen.

De tweede helft van de 14de eeuw was het hoogtepunt in de geschiedenis van Zierikzee. De stad zond onderhandelaars naar de koningen van Denemarken en Noorwegen, voerde oorlog en sloot vrede met hen. Bij deze machtsontplooiing liet Zierikzee de andere grote Zeeuwse stad, Middelburg, achter zich. In relatie tot de Hollandse steden moest Zierikzee er slechts enkele laten voorgaan. Toen hertog Albrecht van Beieren in 1398 schepen nodig had voor zijn strijd tegen de Friezen moest Zierikzee 25 grote schepen en 500 gewapende mannen leveren. Alleen Haarlem en Amsterdam werden hoger aangeslagen. De stad telde op het eind van de 14e eeuw vermoedelijk zo’n 5500 inwoners, ongeveer evenveel als Middelburg en Delft. In deze periode waren Gouda, Alkmaar,  Amsterdam en Rotterdam kleiner. Alleen Dordrecht en Haarlem waren groter.

 

SCHEEPVAART

Op scheepvaartgebied bleef Zierikzee een belangrijke positie innemen. De vloot die in 1506 landsheer Philips de Schone en zijn gemalin Johanna van Aragon naar Spanje bracht bestond voor het merendeel uit Zierikzeese schepen. Het vorstenpaar voerde op het schip de “Juliaan” van Jacob Cornelisz. de Huybert, één van de belangrijkste Zierikzeese reders. Zijn broer Jan bracht op een nieuwe “Juliaan” in 1517 onder meer Karel V naar Spanje. De voornaamste rol die Zierikzee op maritiem terrein innam gold ook voor de scheepsbouw. De technische bekwaamheid van de scheepsbouwers in Zierikzee was vermaard. De oudste gedrukte vermelding van de bouw van een ‘volgetuigd schip’ met zowel dwars- als driehoekige langgscheepse zeilen in de Nederlanden dateert uit 1459/1460. Dit schip, karveel genoemd, werd in Zierikzee gebouwd. De nieuwe constructie van de scheepsromp had men geleerd van een Bretonse scheepsbouwer, die zich hier had gevestigd. Het middeleeuwse Zierikzee bood een boeiend schouwspel. Bij de haventoegang, op afstand van de stad, stonden de zoutketen. Langs de haven waren de scheepswerven gesitueerd. De stad vormde in defensief opzicht een moeilijk in te nemen vesting. Met z’n vrijwel ronde vorm was Zierikzee gemakkelijk te verdedigen. De enige zwakke schakel, de haventoegang, werd beschermd door 2 robuuste poorten, de Noordhavenpoort en Zuidhavenpoort. Deze dateren uit het begin van de 14de eeuw. Uit diezelfde periode dateert ook de niet minder imposante Nobelpoort, die de noordelijke toegang tot de stad afsloot. De 3 kleinere Zuidwelle-, West- en Bagijnepoorten waren overige toegangen. Tussen de poorten liepen hoge stadsmuren met hier en daar muurtorens. De grachten zorgden ervoor dat de vijand op afstand werd gehouden. Het stadspanorama gaf vele torenspitsen te zien. Naast die van poorten bezaten de meeste kloosters torentjes, evenals het Bagijnhof en het gasthuis. Deze spitsen zonken echter in het niet bij de toren en de kerk van Sint Lievenmonster. De vernieuwing van de kerk werd in de 15de eeuw voltooid. Daarmee kreeg Zierikzee de grootste kerk van Zeeland. De bouw van een imposante toren, hoger dan enige ter wereld, moest het sluitstuk worden. In 1454 werd begonnen met de bouw. In het begin van de 16e eeuw werd de onderbouw voltooid. De bebouwing van het stadsdomein concentreerde zich aanvankelijk rond de kerk en het Gravenhof, het grafelijk kasteel. Later, vanaf de 14de eeuw, vond bebouwing plaats van het midden- en oostelijk deel. Nieuwe gebouwen en huizen verrezen vooral langs de kreek, die veranderd werd in een van kaden voorziene haven. De meeste nieuwe straten liepen uit op deze haven. In het noordelijk en zuidelijk deel van de stad waren de kloosters en het Bagijnhof gelegen. Toch bleven grote delen van het gebied binnen de stadsmuren onbebouwd, een situatie die tot ver in de 20de eeuw zou voortduren.

 

WETENSCHAP

Op wetenschappelijk gebied nam Zierikzee een bescheiden plaats in. In 1304 ontving de stad het privilege om een school te mogen stichten. Dat er veel talent aanwezig was onder de Zierikzeese jeugd blijkt uit het feit dat velen van hen verder studeerden. In de eerste 80 jaar na de stichting in 1388 werd de universiteit van Keulen bezocht door 169 studenten uit Zierikzee. Het contrast met andere steden was groot. Uit Goes kwamen 42 studenten en uit Middelburg slechts 28. Na de stichting van de universiteit van Leuven in 1426 strokken in de eerste 25 jaar 35 studenten uit Zierikzee daarheen tegen 23 uit Middelburg. Grote faam kregen 2 medici: Jason Pratensis (1486-1558) en Levinus Lemnius (1505-1568). Vooral de publikaties van de laatste kregen veel bekendheid.

 

bron: Zierikzee Monumentenstad aan de Schelde, tekst H. Uil