EEN VERGETEN STAD

…weldra ziet gij roem, welvaart, vrijheid en veiligheid opdagen: dit zijn de vruchten , die gijlieden te wachten hebt”. Zo eindigde de proclamatie van het kersverse gemeentebestuur op 15 december 1813. Maar die wens ging maar ten dele in vervulling. Aan initiatieven ontbrak het niet. Opnieuw voeren koopvaardijschepen uit, vooral naar Frankrijk, Spanje, Portugal en Rusland. Geprobeerd werd van Zierikzee weer een visserijplaats te maken door de oprichting van de “Nieuwe Visscherij” in 1818. De poging werd gefinancieerd met bijdragen van particulieren, uit het legaat Mogge en het Rijk. Binnen 4 jaar moesten 16 visserijschepen uitvaren. Maar door financiele problemen werden dat er maar 11. Het project werd een mislukking. Oorzaken waren onder andere tegenvallende vangsten, lage prijzen en gebrek aan aas. Bovendien was er tekort aan bekwaam scheepsvolk; de bemanning moest grotendeels van elders komen. In 1836 verging de laatste hoeker bij IJsland. Iets beter ging het aanvankelijk met de scheepsbouw. Cornelis Smit uit Kinderdijk liet in 1838 een werf bouwen waarop in december van dat jaar de kiel van “De Stad Zierikzee”, bestemd voor de vaart op Oost-Indie, werd gelegd. Naast deze stads of Commerciewerf stichtte J. Strickaert uit Brussel in 1840 een tweede werf: “De Goede Intentie”. In de periode  1840-1857 werden door beide werven 27 zeeschepen gebouwd, meest barken en schoeners. De meeste waren eigendom van Zierikzeese rederijen. De werven konden de concurrentie met anderen niet volhouden. De Zierikzeese haven was minder geschikt voor de bouw van grotere zeilschepen. Bovendien kwamen stoomschepen hun marktdeel opeisen. De nijverheid had vooral lokaal en regionaal belang. Zierikzee telde in 1822 twee brouwerijen, twee looierijen, vier meestoven, twee touwslagerijen, een zeepziederij, een zoutkeet, een bezemmakerij, een traankokerij, twee grutmolens, twee zaagmolens, een olie- en gortpelmolen en vier korenmolens. Zorgen waren er ondertussen genoeg. de stad kampte nog altijd met een hoge schuldenlast. In 1814 bedroeg die bijna 112.000 gulden. Door middel van extra belastingen, vooral accijnzen, werd geprobeerd dit tekort te saneren. Maar veel erger was de geleden armoede. In de winter van 1816-1817 werden meer dan 1850 behoeftigen bedeeld met brood, aardappelen, gort, spek, vlees en turf. Het aantal steeg tot circa 2.000. Dat betekende dat ongeveer een kwart van de bevolking tot de bedeelden behoorde. Om werkelozen aan het werk te helpen werden armenfabriekjes opgericht van onder andere pak-, zak- en behangselslinnen en koffiebalen en een breischool en spinnerij. Maar ze gingen snel teniet. Het meest succesvol was een weverij, die in 1838 werd opgericht door de firma Salomonson uit Almelo. Deze fabriek verschafte in de periode 1838-1856 aan zo’n 150 tot 200 arbeiders, meest bedeelden, werk en werkte met wisselend succes. De katoenen stoffen, die hier werden vervaardigd, vonden vooral hun weg naar Oost-Indië. Voor de weverij werd in 1839 aan de zuidzijde van het Kerkhof een nieuw pand gebouwd, dat plaats bood aan 120 weefgetouwen. Een jaar later werd aan de westzijde een vleugel aangebouwd. Een deel hiervan is bewaard gebleven. Door gebrek aan afzet en de verbeterde produktiemethodes met behulp van stoomkracht werd de weverij in 1868 gesloten. Begin 1845 ontstond een oproer als reactie op de invordering van belastingen. Zelfs inboedels werden publiek geveild om de schuld te verhalen. Deurwaarder Costerus kocht op zo´n veiling een zogenaamde kastklok voor 5 gulden. Maar daarin bleek zich geen uurwerk te bevinden! Hilariteit alom. ´s Avonds vond voor zijn huis in de Poststraat een volksoploop plaats. Vol leedvermaak werd een haastig gemaakt spotlied door wevers en leerlingen van de tekenschool gezongen en werden ruiten ingegooid. Ook elders in de stad gebeurde dat. Door snel ingrijpen werd erger voorkomen. Tegen deze sociale misstanden ageerde de in 1844 door de uitgever/drukker P. de Looze opgerichte Zierikzeesche Nieuwsbode. De eerste redacteur was de veelzijdige P.H. van der Weijde. Het nieuwe blad kreeg zoveel succes dat de Zierikzeesche Courant (opgericht in 1797) er last van kreeg. Om het blad nieuw leven in te blazen werd Van der Weijde benaderd, wiens betrekking bij het andere blad geheim was gebleven. Zo schreef hij in het ene blad gezagsgetrouwe artikelen en in het andere felle anti-autoritaire bijdragen. Tijdelijk succes had de garancinefabriek, die in 1846 aan de Nieuwe Bogerdstraat van start ging. Garancine was een meekrappreparaat dat bereid werd met zwavelzuur. Apotheker J.H. Ochtman en 4 anderen wilden deze nieuwe techniek toepassen met behulp van stoomkracht. De fabriek draaide goed, maar voor Zierikzee bracht deze grote overlast met zich mee. In 1881 werden de bedrijfsgebouwen verkocht en een jaar later gesloopt (terplaatse werd een openbare lagere school gebouwd, thans is het parkeerterrein). De reden was dat in 1868 twee Duitse chemici erin geslaagd waren de alizarine, de kleuernde bestanddelen uit de meekrap, te fabriceren uit koolteer. Dit kwam vrij als bijproduct bij de fabricage van lichtgas. Gasfabrieken waren er volop -in Zierikzee ging er een in 1856 van start- zodat koolteer in ruime mate voorhanden was. Deze uitvinding betekende op termijn het einde van de garancine-industrie en later ook van de meekrapproduktie. De akkerbouw maakte vanaf het midden van de 19e eeuw een voorspoedige ontwikkeling door. De kwestie van de afwatering werd voorvarend aangepakt door de bouw van stoomgemalen in Schouwen (1877), in Duiveland (1878) en bij Dreischor (1882). Daarmee vervulde Schouwen-Duiveland in Zeeland een voortrekkersrol. Door deze verbetering en de drainage konden veel boeren van veeteelt overgaan op akkerbouw. Weliswaar behield Zierikzee zijn centrumpositie voor Schouwen-Duiveland, maar dat gold maar ten dele voor de marktfunctie. Vanaf het eind van de 19de eeuw werden langs de gehele kust van het eiland landbouwhaventjes aangelegd om de produkten snel te kunnen afvoeren. Dat betrof vooral suikerbieten en aardappelen, die na de agrarische crisis steeds meer werden verbouwd. Door deze mailaise in de landbouw vertrokken velen. Een groot deel van hen zocht nieuw emplooi in Rotterdam en omgeving, een klein deel emigreerde naar Noord-Amerika. Daarentegen trokken veel inwoners uit de dorpen naar Zierikzee.

 

bron: Zierikzee Monumentenstad aan de Schelde, tekst H. Uil