ECONOMISCHE MALAISE

 

Bracht de 17de eeuw nog grote welvaart in Zierikzee, in de 18de eeuw veranderde dat. Vooral de haringvisserij kreeg zware tegenslagen te incasseren. Hier wreekte zich het feit dat Zierikzee geen grote vismarkt had. Daardoor was de concurrentie met de steden langs de maasmonding niet vol te houden. De visserij beperkte zich tot de vangst van kabeljauw. Maar vele vissers kozen liever voor de koopvaardij, die in de eerste helft van de 18e eeuw floreerde en waar hogere lonen werden betaald. Bovendien liepen de visvangsten terug. Daardoor vond er een verschuiving plaats. In 1747 was Zierikzee de thuishaven van 97 koopvaardijhoekers tegen 53 vishoekers. Het stadsbestuur probeerde de kabeljauwvisserij te steunen. In 1752 werd een subsidieregeling vastgesteld voor nieuwe hoekers. Deze steun werd 20 jaar later met behulp van geld uit het legaat Mogge fors uitgebreid. Maar de visserij bleef verliezen lijden. In 1792 was het aantal vishoekers gedaald tot 21. Zes jaar later waren dat er nog slechts 7. Door de oorlogsomstandigheden werd het vissen buitengaats vrijwel onmogelijk. De oester- en kreefthandel kreeg in de 18e eeuw betekenis door een groeiende vraag naar dit zeebanket. Zierikzee telde 5 oesterputten. Maar in de Franse tijd was de handel op zijn retour. Ook de zoutziederij verloor aan betekenis. Werden er in 1644 nog 40 ketels geteld, in het midden van de 18e eeuw was dat aantal tot 9 gedaald. De koopvaardij maakte in dee 18e eeuw nog  goede jaren door. Zierikzeese schepen gingen nu ook naar West-Indië om handel te drijven, maar de Europese handel bleef de voorkeur houden. Daarom waren de schepen meestal klein, vooral hoekers werden gebruikt. Fregatten waren er slechts enkele. Zierikzeese schippers kregen ook te maken met de uit Nood-Afrika afkomstige Barbarijse kapers. In 1734 werd het schip “de Palmboom” gekaapt.

Dat was het jaar daarop aanleiding om de Slavenkas op te richten. Dit fonds had als doel om zeelui, die gevangen waren genomen, los te kunnen kopen. De opvarenden van de koopvaardijschepen betaalden aan dit fonds. Al spoedig kreeg het een meer sociale doelstelling. De Slavenkas bestaat nog steeds en de reglementen van 1735 zijn nog steeds van kracht. Maar Zierikzeese zeelui worden niet meer gekaapt. Daarom houdt het fonds zich nu bezig met onder andere de maritieme geschiedenis en geeft het financiële steun door het verstrekken van leningen. De koopvaardij kreeg omstreeks het midden van de 18e eeuw te kampen met tegenslagen. In de periode 1746-1775 daalde de vloot van 84 naar 28 schepen. Als gevolg van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) stagneerde de koopvaardij. Zierikzeese schepen werden door de Engelsen gekaapt. Vanuit Zierikzee werden kaperschepen uitgerust. Kapitein Jan Willem Sextroth wist op 28 oktober 1782 met zijn schip “De Goede Verwachting” een Engelse pakketboot te kapen. Maar het was een kleine pleister op een diepe wond. Met name de teloorgang van de koopvaardij en isserij en de daaraan verwante bedrijfstakken had grote gevolgen voor het bevolkingsaantal. Het daalde van circa 10.000 inwoners omstreeks het midden van de 18e eeuw tot ongeveer 6.000 in 1795. De landbouw maakte in de eerste helft van de 18e eeuw  een negatieve ontwikkeling door. Tijdens de stormvloed van 1715 braken de dijken van de polder Schouwen tot tweemaal toe door. De Zuidhoek, het deel van de polder Schouwen ten oosten van het havenkanaal, stond in 1720/1721 lange tijd onder water. Het herstel van de dijken en het aanleggen van nieuwe verdedigingswerken tegen de zee kostte kapitalen. Alleen al met de aanleg van een nieuwe inlaagdijk bij de Zuidhoek was zo’n 225.000 gulden. Het gebied bleef problemen opleveren door de dijk- en oevervallen. Zo ontstond in 1783 “de Val”, een ingelopen deel van de inlaag, die later werd gebruikt als veerhaven. De ingelanden moesten meet geschot gaan betalen om de hoge lasten van de polder te kunnen opbrengen. Veel boeren ondervonden nadeel van gebrekkige afwatering en de verzilting van hun gronden. Zierikzee moest Schouwen te hulp komen met forse leningen. De stad zelf stond ook voor hoge uitgaven, zoals de vernieuwing van het Verste Sas in het Dijkwater. De kosten werden voor het grootste deel betaald uit de opbrengst van de verkop van de Vierbannen van Duiveland in 1725 (83.500 gulden). De waarde van de boederijen en van grond verminderde. Daarom gingen veel regenten hun geld liever op andere wijze beleggen. De veeteelt had herhaaldelijk te kampen met veepestepidemieën. In 1747 stierf meer dan driekwart van het rundvee. De veestapel liep zodanig terug dat de behoeften van de eilandbewoners nauwelijks werden gedekt. Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw ging het met de landbouw beter, vooral door de gestegen vraag naar agrarische producten.

 

 

bron: Zierikzee Monumentenstad aan de Schelde, tekst H. Uil