Kasteel Bloodenburg

In de middeleeuwen lag in het Quaalambacht tussen het naderhand verdronken dorp Borrendamme (ongeveer 800 meter ten westen van het Havenhoofd en waarvan de fundamenten van de kerk tot 1822 zichtbaar bleven) en de groeiende stad Zierikzee het kasteel Bloodenburg. 

De funderingen kwamen kort na de wereldoorlog 1914-1918 bloot te liggen toen langs de Kouwensweg, voornamlige Kaauwelsweg, een perceel weiland werd geëgaliseerd. Tijdens die werkzaamheden kwamen tevens twee prachtig gebeeldhouwde zandstenen leeuwen tevoorschijn, ter grootte van ongeveer 40 cm, die vermoedelijk eens de toegang tot het kasteel hebben versierd.

Helaas is men bij die gelegenheid vergeten de blootgekomen funderingen op te meten en in kaart te brengen. Ze hadden de deskundigen waardevolle gegevens kunnen verschaffen over de  bouwtijd, vorm, grootte en indeling van het oorspronkelijke gebouw.

Vermoedelijk werd het kasteel gesticht in de loop van de dertiende eeuw en diende het als versterkt stenen huis van de heren van het Quaalambacht. Het kwam in het nieuws tijdens het beleg van Zierikzee door de Vlamingen in 1304. In de rijmkroniek van Melis Stoke werd een zekere “Hobuck” genoemd als kasteelheer. Blijkens de grafelijke rekeningen was zijn werkelijke naam Hoobuut Hellecopszone.

Tijdens het beleg van Zierikzee was het kasteel Bloodenburg een belangrijk steunpunt van de Vlaamse belegeraars, vemoedelijk dankzij het feit dat de ambachtsheer van het Quaalambacht de zijde van de Vlaamse graaf had gekozen. Het ligt voor de hand dat de belegerde inwoners van Zierikzee daar weinig waardering voor hadden. Op zekere dag deden ze onverwachte uitval en wisten ze het kasteel binnen te dringen. Met grote verbittering vochten ze tegen de bezetters waarvan -naar wordt beweerd- niemand de dans ontsprong. De dag daarop deden de Zierikzeeënaars opnieuw een uitval, tijdens welke de vernietiging van het kasteel Bloodenburg werd voltooid. Melis Stoke beschreef die gang van zaken aldus:

 

Dat huus bernde ter eerden toe
Des ander daghen streken doe
De porters uut ende hieuent neder
Ende streken doe ter porten weder
Doe was ghevelt de veste side.

 

Of ook de kasteelheer Hoobuur Hellecopszone tijdens de ondergang van zijn kasteel is omgekomen, is niet bekend. Over de herbouw van het kasteel zwijgen de bronnen, zodat we moeten aannemen dat zijn bestaan van betrekkelijk korte duur is geweest. Nadat de Vlamingen waren verdreven, begiftigde de graaf de stad Zierikzee met het ambacht van Borrendamme, nadat hij in 1304 reeds het Quaalambacht aan de stad had geschonken. Door die maatregelen probeerde hij de macht van de ambachtsheren rond Zierikzee wat meer aan banden te leggen. Toch schijnen niet alle leden van het geslacht Hellecop te zijn verbannen of gevlucht. In 1297 werd door graaf Jan I van het veer Borrendamme beleend aan “zijn getrouwen man” Heldecope Hoeburxzoon onder voorwaarde, dat de graaf en zijn boden altijd over mochten varen zonder veergeld te betalen. In 1318 kocht Hobuit Heldecopszoon van de graaf het recht op het derde deel van dat veer om het in leen te houden voor de som van veertig Tournooise ponden. Dat gedeelte van het veer was de graaf in handen gekomen door Hendrik Heldecopszoon. Tenslotte werd in 1327, eveneens in verband met de belening van het veer, de naam vermeld van Jan Heldecopszoon. Er wordt wel verondersteld dat de familie later de naam Van der Lisse heeft aangenomen, aan welk geslacht zij blijkbaar verwant waren. Aanleiding tot deze veronderstelling geven ook de grafelijke rekeningen waarin sprake was van Hobuc en Jan, Willem Dankaerdszoons kinderen van der Lisse.

 

Bron:

Broecke, van den J.P. – Middeleeuwse kastelen van Zeeland, 1978 — blz 128
Beveren, van P. – De verdwenen kastelen van Schouwen-Duiveland, 1960